Resultaten IKS

Innovatieprogramma Klimaatneutrale Steden

8 gemeenten werken sinds begin 2011 aan de uitvoering van hun projecten in het kader van het Innovatieprogramma Klimaatneutrale Steden (IKS). De deelnemende gemeenten zijn: Amsterdam Zuid, Breda, Rotterdam, Tilburg, Heerhugowaard, Nijmegen, Lochem en Wageningen.

De ambitie van het IKS-programma is het experimenteren met proces- en systeeminnovaties. Uitgangspunt is dat technische innovaties veelal buiten de scope van de gemeente vallen en met name in het energiedomein volop gaande zijn in de industrie, bouw en mobiliteit. De gemeenten hebben er allemaal voor gekozen om de aanpak van het klimaat vooral te doen via energiemaatregelen. Daarbij zijn de proces- en systeeminovaties vooral:

  • nieuwe vormen van samenwerking / alliantievorming
  • versterken van burgerparticipatie, zowel individuele burgers als organisaties;
  • versterken van ondernemerschap;
  • identificeren en uitproberen van nieuwe vormen van governance;
  • ontwikkelen van financieringsmodellen en
  • versterken van autonome ontwikkelingen.

Praktisch gezien heeft dit geleid tot ondermeer:

  • oprichting Duurzame Lokale Energie Bedrijven (Lochem, Amsterdam Zuid, Wageningen en in zekere mate Tilburg);
  • doelgerichte en doelmatige concessieverlening OV en productie Groen Gas (Nijmegen);
  • grootschalige plaatsing zonne-pv op kantoren en andere bedrijfsgebouwen (Wageningen);
  • samenwerking met grondgebonden ondernemers (boeren) om tot ‘energielandschappen’ te komen (Lochem);
  • fundamentele bottom-based initiatieven/aanpak (Amsterdam, Lochem, Tilburg e.a.);
  • lokale bedrijvennetwerken die initiatiefnemers worden (Tilburg);
  • signalering technologische onvolkomenheden decentraal, opstarten experimenten: Low Voltage woning (Heerhugowaard);
  • leefstijl-gerichte communicatie (Breda);
  • inzicht in financiering/investeringsmogelijkheden (Lochem, Tilburg, Amsterdam, Heerhugowaard e.a.) en
  • signalering van insitutionele en regelgevingsbelemmeringen (Lochem, Amsterdam, Nijmegen, Tilburg, Wageningen).

Daarmee is IKS aanjager geworden van decentrale energie-aanpak (-opwekking). De oprichting van E-decentraal mag in zekere mate aan IKS-partners worden toegeschreven, alsmede de signalering dat het huidige systeem met betrekking tot saldering en zelflevering een faalfactor is.

Conditiesturing

In de gesprekken met de IKS-gemeenten wordt veel aandacht besteed aan de condities, de omstandigheden, die van invloed zijn op de kracht van autonome ontwikkelingen. Daarbij wordt bestaande regelgeving en belastingen met betrekking tot de saldering en zelflevering geidentificeerd als een falende omstandigheid. Enerzijds beperkt het particuliere initiatiefnemers in hun investeringsbereidheid en anderszijds werkt het een beperkte omvang van installaties in de hand. Overcapaciteit op het eigen dak is te weinig ‘lonend’ om te realiseren. Het gebrek aan mogelijkheden om electriciteit buiten de eigen meter om, op te wekken (bijvoorbeeld op het dak van een school of bedrijf in de buurt) is toe te schrijven aan de bestaande regelgeving met betrekking tot zelflevering. Kostprijs en verdienmarges liggen te dicht bij elkaar (of zelfs negatief) door de huidige tariefstellingen en daardoor het ontbreken van een incentive op decentrale duurzam energie.

Dit thema is inmiddels herkend en erkend bij de betrokken ministeries en de Tweede Kamer. Vanuit de IKS-ervaring is te signaleren dat het ontbreken van een goede basis, de stevige ontwikkeling in de weg staat.

Het idee dat decentrale opwek een fundamentele en relatief forse bijdrage kan leveren aan de gewenste transitie mbt duurzame energie was bij aanvang van IKS landelijk vrijwel niet erkend. Inmiddels is het tot een thema in het politieke en ambtelijke debat geworden. De IKS-gemeenten hebben daar aan bijgedragen, Lochem en Amsterdam Zuid hebben daarin een actieve rol. Tilburg speelt een rol mede doordat de wethouder (Berend de Vries) klimaatambassadeur is.

Oplossingen

De kracht van lokale innovatieve initiatieven is dat de realisatie daadwerkelijk tot stand komt. Praktische vragen worden opgelost, ruimtelijke obstakels overwonnen en waar nodig worden onorthodoxe maatregelen getroffen. Daarmee geeft de praktijk kracht aan de agendering van decentrale energie op politiek niveau. De fundamentelere oplossingen van de huidige belemmeringen in wet- en regelgeving en belastingen vragen om politieke oplossingen.

In de verschillende IKS-projecten is zichtbaar geworden dat het streven naar de klimaatneutrale gemeente bijdraagt aan versterking van de lokale economie. De eigen energie-opweking heeft niet alleen een individuele economische waarde. Er is sprake van bredere maatschappelijke kosten en baten. Ieder “Duurzaam Lokaal Energie Bedrijf” (LDEB) draagt bij aan versterking van de lokale economie. Dit inzicht heeft geleid tot de politiek-bestuurlijke vraag naar een Maatschappelijke Kosten Baten Analyse (MKBA).

De fundamentele oplossingen zijn nooit simpele oplossingen, doordat verschillende belangen spelen. Het ambtelijk proces is ook gaande, gericht op het wegnemen van belemmeringen maar weerstand komt ondermeer vanuit ‘financien’. Overigens heeft dat ook weer geleid tot discussies over het ‘verdienmodel’ voor de overheid in decentrale en duurzame energie.

Niet alleen ‘salderen’ is een belemmering in de huidige situatie maar ook blijkt de lage tariefstelling voor grootverbruikers een (onverwacht) probleem te zijn. Dat maakt de ‘rekenkundige benadering’ van grote daken voor zon moeilijk. Er is voor bedrijven vrijwel geen incentive te verwachten, door de lage tariefstelling voor grootverbruikers.

Energieke samenleving

Toen het gelijknamige rapport van het PBL verscheen, half 2011, werd het door IKS-gemeenten ervaren als een beschrijven van de processen die in hun projecten tevoorschijn komen. Waar PBL zich trendgevoelig toont, lijken de IKS-gemeenten de trend te ervaren en te zetten.

Er is veel geleerd in IKS als het gaat om het versterken van de energieke samenleving. Een nieuwe vorm van governance lijkt nodig. Dat is gebaseerd op het herkennen van de competente samenleving die op iedere plek in Nederland aanwezig is en die initiatiefnemers vertrouwen geven. Het herkennen van de competente samenleving op lokaal niveau is niet gegarandeerd leidend tot succes. Karakteristiek voor een versterkende governance is:

  • identificeren van competente burgers door te mobiliseren (bijvoorbeeld via een informatiebijeenkomst of andere werkvormen) en te inspireren;
  • ruimte bieden om de nieuwe organisatie en samenwerking op te bouwen, zowel fysiek (vergaderrruimte) als financieel (onkosten dekken) als mentaal (door te werken als ‘meewerkend voorman’ en kennis beschikbaar te stellen);
  • richting geven is een belangrijke bijdrage vanuit de lokale bestuurders. Zij zien het lange termijn perspectief, kennen de klimaatdoelstellingen en geven daarmee een stevige koers. Daarbij is duidelijk geworden, in de projecten in Lochem, Amsterdam Zuid en Wageningen, dat richting geven niet verward mag worden met sturing. Er is een directe relatie tussen het sterke gevoel van autonomie bij burgers en bedrijven en het richtinggeven versus een afwachtende houding bij een meer directieve houding van bestuur en ambtelijke uitvoerders.
  • Vernieuwing speelt een belangrijke rol. Ook de gemeente is een organisatie uit het ‘verleden’, dat wil zeggen dat procedures, regelingen en besluitvorming aan regels gebonden zijn. Dat alles loslaten en in een andere richting sturen is lastig voor gemeenten. Interne processen werken dan vaak tegen (Amsterdam, Lochem). In deze gemeenten is getracht om te werken vanuit het idee van ‘positieve discriminatie’ als vorm van experiment: proceduretijd verkorten, flexibiliteit versterken: onorthodoxe maatregelen als kern voor nieuwe rol. Hoezo europees aanbesteden als het plan van cooperatie is tussen burgers, bedrijven en overheid? Naar binnen toe is durf ontwikkeld om nieuwe procedures af te dwingen (Tilburg).
  • Flexibiliteit kenmerkend voor IKS. Intern, bij gemeenten, vergunnngen en financieen benaderen vanuit flexibiliteit, wordt ook moeilijk als het gaat om verantwoording aan de gemeenteraad, die veelal SMART opereren. Het zoeken naar ruimte is dan aan de orde. Het vraagt open gesprekken met de ‘remmers in vaste dienst’ en controllers (raad). Dat is een beweging die nu komt. Deze benadering vraagt ook vakmanschap in programmasturing (Tilburg).
  • Procesmatige benadering is kenmerkend voor de IKS-aanpak. De mooie combinatie van harde doelen (opwekking) en procesaanpak (relatief soft), botst ook regelmatig met verwachtingen van partijen. Het is een combinatie van de technologische ontwikkeling en de sociologische aspecten en die combinatie blijkt moeilijk in praktijk. Bestuurder moet resultaat zien/leveren: wat wordt het? Zon of wind? Vertrouwen is hierbij vaak het issue (Lochem, Amsterdam, Tilburg). Overigens blijkt in de IKS-projecten dat het een misvatting is dat een procesaanpak niet-resultaatgericht zou zijn: alleen het kunnen andere resultaten zijn dan gedacht. De IKS-projecten laten zien dat er ook een afweging moet zijn van vertrouwen in partners: daadkracht, doorzettingskracht, technische kwaliteit initiatiefnemers speelt een rol. Overigens signaleren de gemeenten ook dat niet ieder resultaat goed hoeft te zijn, in die zin hoort het leren ‘nee’ zeggen er ook bij;
  • be supportive’ is een belangrijke eigenschap van de gemeente gebleken. Dat impliceert gebruik van gemeentelijke faciliteiten, beschikbaar stellen van kennis, steun bij procedures en als volwaardige partner op te treden voor iniatiefnemers als het gaat om contacten met grote spelers in het spel: banken, energiebedrijven, institutionele investeerders e.d.
  • podium bieden hoort hier zeker bij. Zowel in poltitieke zin door regelmatig contact te organiseren met de lokale politiek en initiatiefnemers. Daarnaast is de steun van de gemeente een zeker garantie/keurmerk voor burgers en organisaties/bedrijven voor de betrouwbaarheid vn dergelijke nieuwe burgerinitiatieven.
  • coöperatief organiseren is een sterk element in de ontstane initiatieven van burgers en bedrijven. De duurzame lokale energiebedrijven die ontstaan hebben veelal een coöperatief karakter.

Niet alles is even soepel gegaan. Er blijkt in enkele gevallen een spanning te zijn tussen de ‘traditionele’ opvattingen over de verhouding bestuur-burger. Daar waar de burger slechts ‘draagvlak’ mag leveren ontstaat argwaan, afstand en afwijzing (triple-A). De burger zet zijn hakken in het zand, negeert of voelt zich slecht geïnformeerd. Dit is geconstateerd bij in ieder geval één project. De uitvoering van IKS werd belegd in een stuurgroep waarin instituties met belangen in het betrokken gebied of een inhoudelijke (eigen-) belang de beslissingen gaan nemen. Dat leidde inderdaad tot de nodige fricties, die pas kort geleden zijn benoemd en nu voor een hernieuwde aanpak een basis legt. De spanning tussen institutionele aansturing en het activeren van de energieke samenleving werd duidelijk.

leerzame ‘mislukkingen’

Hoewel het woord ‘mislukking’ hier niet al te letterlijk moet worden genomen, is er wel een aantal leerpunten te benoemen die voortkomen uit veranderende omstandigheden. De belangrijkste:

  • stagnerende verkopen bij nieuwbouwprojecten, vragen fundamentele heroverwegingen van de aanpak. Intensivering van communicatie is de primaire reflex maar leidt slechts tot minimale beweging in de markt. Nieuwe concepten als gebruik in plaats van eigendom of het realiseren en aanbieden van woondiensten, vraagt een systeeminnovatie die voor individuele gemeenten lastig te realiseren is. Men kan (nog) niet terugvallen op ‘casebased’ ervaringen (o.a. Heerhugowaard);
  • de spanning tussen institutionele belangen en bottom-based benadering is voor burgers moeilijk te doorgronden noch werkelijk aan te pakken. Hier past een nieuwe visie op de rol van de gemeente (o.a. Rotterdam-Heijplaat);
  • innoveren is lastig. Allereerst al het signaleren van de noodzaak tot technische-, proces- of systeeminnovaties. Dat vraagt een vorm van reflectie op stagnerende ontwikkelingen die gekarakteriseerd kan worden als ‘reflexief’ en ‘out-of-the-box-denken’. De waarde van externe coaching en reflectie is dan groot en verhoogt de kans op doorbraken in denken en doen (o.a. Wageningen en Heerhugowaard);
  • bottombased werken, gebaseerd op een werkwijze die gekarakteriseerd kan worden als een ‘grassroots’ benadering, vraagt veel tijd en capaciteit. Hierbij is een professionele procesbegeleiding wenselijk om van praten en denken naar doen te komen (o.a. Amsterdam Zuid en Lochem). Ook vraagt het een bestuurlijke ‘houding’ die uitgaat van vertrouwen in de competente samenleving. Terughoudendheid in sturing en organisatie van bestuur en gemeentelijke apparaat is daarbij van grote waarde gebleken (Lochem). Het belangrijkste leerpunt daarbij is: Stel de eindgebruiker centraal, dan kristalliseren belangen zich wel uit en participeren allen beter. En
  • De diversiteit van lokale initiatieven maakt grootschaligheid in de lokale aanpak moeilijk (o.a. Lochem, Tilburg en Amsterdam Zuid).

leerpunten innovatie

Op het domein van IKS, de proces- en systeeminnovaties, zijn belangrijke stappen gezet. Een specifieke analyse zal nog plaats vinden (o.a. door PBL) en in de rapportages van de gemeenten worden deze punten uitgebreid toegelicht. In de procesinnovatie gaat het vooral om nieuwe vormen van samenwerking en de vorming van nieuwe allianties. De systeeminnovaties liggen in nieuwe perspectieven op de aanpak op lange termijn. De gesignaleerde, doorsnijdende, innovaties:

  • Marktsturing als publieke interventie: in Nijmegen is de concessieverlening OV benut om tot een marktvraag naar Groen Gas te komen. Dat is een relatieve zekerheid voor producenten van Groen Gas in de regio die investeringen moeten doen om tot opwekking te komen. Nijmegen heeft een systematiek ontwikkeld die dit mogelijk maakte, zodat een zichzelf-versterkende ontwikkeling op gang is gebracht;
  • Marktordening als publieke interventie: in Tilburg zijn forse stappen gezet in het publiek-privaat organiseren van de energie- en klimaataanpak. Van servicebureau voor individuele burgers en ondernemers tot organisatie van samenwerking in verschillende gremia. De gemeente treedt op als initiator, bedrijvennetwerken nemen vervolgens de verantwoordelijkheid en sturing over. Het ‘klimaatschap’ is de werktitel, die goed aangeeft dat corporatieve structuren kunnen en zullen ontstaan, zeker als vanuit het publieke belang door de gemeente facilitering wordt geregeld;
  • marktontwikkeling als (semi-)publieke interventie: de ambitie om ‘zonnestad’ te worden met gebruik van daken van bedrijven, instituten en publieke instellingen werkt als er een semi-publiek orgaan is waarin alle partijen een stem hebben of kunnen krijgen. Door bundeling van kracht kan inkoop geregeld worden, door bundeling van kennis kunnen nieuwe projecten snel gerealiseerd worden. In Wageningen is hier ervaring mee opgedaan. Daarbij komen belemmeringen in ontwikkeling ook snel en zichtbaar naar voren. Die oplossen door innovatieve en bestuurlijke interventies blijkt een moeilijk terrein te zijn. Dat vraagt innovatief vermogen van de partners;
  • marktsupport als publieke interventie is van grote waarde gebleken. Initiatiefnemers op lokaal niveau kennen in aanvang een relatief lage organisatiegraad en hebben geen ‘trackrecord’ waar het gaat om investeren en realiseren. De gemeente kan hierbij de stabiele factor zijn die gesprekspartners een zekere garantie geeft op resultaat. Institutionele gesprekspartners (investeerders, netwerkbeheerders e.a.) maar ook burgers hechten hier veel waarde aan (Tilburg, Lochem, Wageningen, Amsterdam Zuid);
  • awareness vanuit publieke domein heeft een zekere mate van objectiviteit. Gebleken is dat aanhaken in de communicatie bij karakteristieken van groepen, helpt. Daarmee wordt een herkenbaarheid bij bestaande leefstijlen gevonden. Kracht van ontmoetingen wordt steeds sterker en de publieke belangstelling groeit (Breda, Lochem, Amsterdam Zuid).

Door de IKS gemeenten is een aantal wezenlijke kantelpunten geidentificeerd: schep de condities, is hierbij als hoofdpunt genoemd. Ondermeer door het opheffen van het verschil tussen groot- en kleinverbruikers. Lokaal blijkt er een grote groep kleine grootverbruikers (huis met zwembad, MKB etc) te bestaan. Dat zou een prioritaire groep kunnen zijn maar de gemeenten signaleren dat voor deze groep een incentive ontbreekt. Ook al omdat geen groene voorwaarde aan de grootverbruikersvoorwaarden verbonden is.

kennisoverdracht

In de IKS projecten is veel aandacht gegeven aan kennisoverdracht. De initiatieven verschillen, maar op hoofdlijn zijn de volgende elementen zichtbaar:

  • peer to peer communicatie en leren is het krachtigst gebleken. Gemeenten met vergelijkbare ambities vinden de acht IKS gemeenten om de opgebouwde ervaringen te benutten. Deze informele vormen van kennisoverdracht zijn tevens de belangrijkste gebleken. Dankzij de IKS-financiering zijn de acht gemeenten in staat geweest om vele vragen, werkbezoeken, themabijeenkomsten en dergelijke te doen. Essentieel is de koploperspositie die de IKS gemeenten hebben kunnen realiseren dankzij IKS financiering. Er lijkt sprake van een ‘factor 10’ effect: de acht gemeenten hebben ieder minimaal 10 gemeenten versterkt in hun aanpak door een gerichte kennisoverdracht. Dit effect van IKS maakt dat zeker 80 gemeenten actief gebruik hebben kunnen maken van de innovaties in de acht gemeenten;
  • instrumenten die zijn ontwikkeld in IKS-projecten, worden actief gedeeld met partnergemeenten en regio’s. Rekenmodellen, organisatie-doorbraken, analyses (o.a. actief inzetten duurzaam inkopen) zijn beschikbaar voor anderen via websites of direct contact. In de landelijke netwerken en -communicatie is dit bekend en voor vele gemeenten een hulpmiddel om tot versnelde uitvoer te komen (Wageningen, Amsterdam Zuid, Nijmegen);
  • regionale kennisdeling vindt in vrijwel alle projecten actief plaats. Ambtelijk en bestuurlijk in regionale samenwerkingsfora (Heerhugowaard, Amsterdam Zuid, Wageningen, Lochem) en enkele projecten hebben regionaal facilitering ingericht voor collega-gemeenten (Tilburg, Nijmegen). Dit proces leidt tot autonome ontwikkeling op regionaal niveau, waarbij elementen in gezamenlijkheid worden opgepakt.
  • (nieuwe) media worden door de gemeenten actief ingezet om bij te dragen aan de kennisoverdracht. Publiciteit is gezocht in publieksgerichte media, maar ook in vakbladen. De websites vormen in een aantal gevallen een bron van inspiratie en ervaringen voor andere gemeenten (Wageningen, Nijmegen).

signalering

Op basis van de gemeenschappelijke ervaringen en discussies van de IKS-gemeenten is een aantal thema’s te benoemen die aandacht vragen en wellicht een omslag. Het zijn aanbevelingen aan het Rijk. De wezenlijke kantelpunten voor de klimaat- en energietransitie in Nederland, groot en klein:

* opheffen split incentive

Split incentive staat voor het verschijnsel dat de ‘opbrengst’ niet bij de ‘investeerder’ terecht komt. Dat geldt zowel voor utiliteits-bouw als woningbouw (huursector). Het staat ook voor het wegnemen van ‘perverse koppelingen’ die een systematische aanpak in de weg staan. Door dergelijke ‘perverse koppelingen’  aan te pakken, ontstaat een beweging die zichzelf stuurt omdat er voor de initiatiefnemer(-s) een directe incentive verbonden is aan de investering.

* van efficiency gericht beleid naar beleid gericht op effectief&efficient (koppeling)

Efficiency is het isoleren van gebouwen, spaarlampen of het beroep doen op gebruikersgedrag. Effectief is de (eigen) opwekking van schone energie. Zodra er sprake is van een coöperatief verband waarbij de gebruiker ook eigenaar is, zal het streven naar efficient gebruik ook een impuls krijgen (Hollandse koopmansgeest: hoe minder je zelf gebruikt hoe meer je kunt verkopen). Dan gaan effectiviteit en efficiency hand in hand. De IKS-gemeenten doen hier veel ervaring mee op en stimuleren coöperatieve energie bedrijven.

* realiseren van saldering en zelflevering

Door de IKS gemeenten ruim geagendeerd, zowel bij de ministeries als politiek (TK) als in het maatschappelijk debat. Ook zijn voorstellen tot Green Deals voorgelegd waarin IKS-projecten de primaire partner of participant zijn. Vanuit IKS is daarbij zichtbaar geworden dat de economische impact groot is. Dat is niet alleen in het energiedomein, maar door nieuwe/veranderende geldstromen ook in andere domeinen. Een brede maatschappelijke, economische, analyse zal laten zien dat de verdieneffecten veel verder gaan. De IKS gemeenten dragen bij aan de vraagstelling en vorm die een dergelijke Maatschappelijk Kosten Baten Analyse (MKBA) kan krijgen.

*versterken van investering in nieuwe technologie:  

In IKS projecten wordt veelal gewerkt met bekende, bestaande, technologie. Tegelijkertijd wordt zichtbaar dat deze bestaande technieken veelal zijn gebaseerd op ‘oude’ inzichten. Technologische innovaties als low-voltage, gelijkstroom, opslag en nieuwe vormen van opwekking als ‘diepe geothermie’ zijn nodig om echte doorbraken te realiseren.

  • Kapitaalsinvesteringen blijven hangen door risicoperceptie

De IKS-projecten merken dagelijks deze perceptie bij institutionele investeerders als de pensioenfondsen. Garantstellingen helpen, continuiteit in beleid helpt evenals opschaling van coöperatieve samenwerking. Dit vraagt innovatieve ontwikkelingen in governance and finance.

  • Inzetten op de human resources, competenties en vaardigheden

Het werken vanuit proces- en systeeminnovaties en de daarbij horende nieuwe aanpakken, vragen nieuwe competenties die de energieke samenleving versterken. Het gaat daarbij om inrichten van coöperaties, nieuwe financieringsvormen, kennis en inzicht in de energiemarkt en analytisch vermogen om energiepotentieel op lokaal niveau te herkennen en tot ontwikkeling te brengen.

  • Nog een doorbraak die nodig is: bouwen zonder gebruiksaanwijzing

De technieken die gebruikt worden domineren het energiesysteem, zien de IKS-gemeenten. De installateur doet goede zaken en ‘wij’  moeten de gebruiker leren op welke wijze zij er mee om moeten gaan. Dit komt uit vele monitoringsonderzoeken tevoorschijn: het gedrag van de gebruiker is niet in balans met de mogelijkheden van de installaties. Nu is de vraag op welke wijze gebruikers-proof gebouwd kan worden: de eerste bewoner/gebruiker is slechts de eerste. Gemiddeld zullen 5-7 mutaties plaatsvinden voor de eerste grootschalige renovatie plaatsvindt. Dan moet dus 5-7x die gebruikersinstructie plaatsvinden. Dat kan beter. Of door natuurlijke processen te benutten (inspelen op menselijke reflexen), door betere en kortere feedbackloops te gebruiken of door regel-arme installaties/gebouwen te maken. Het resultaat is dan: bouwen zonder gebruiksaanwijzing voor de gebruiker/bewoner.

IKS afgerond, maar niet afgelopen

Argumenten voor doorgaan met een nieuw Innovatieprogramma Klimaatneutrale Steden:

  • als je wilt dat ‘gedrag’ verandert bij gemeenten en anderen, dat is consistentie belangrijk, het signaal dat proces- en systeeminnovatie belangrijk is (I&M)
  • Instrument van bestuurlijke vernieuwing: je nodigt uit tot ‘hersengymnastiek’ om nieuwe oplossingen te creeren: het helpt; (I&M)

 

Opgesteld door

Douwe Jan Joustra

One Planet Architecture institute

Coach IKS projecten 2011 / 2012

 

gebaseerd op signalen en inzichten die tevoorschijn zijn gekomen in de coachingsgesprekken met de acht IKS gemeenten in 2011/2012



Circular Economy basics

At the moment we (OPAi) do quite some presentations on the Circular Economy. We do like to share some of the reactions we see and get on the issues of realisation and implementation of the Circular Economy.

Thomas Rau is well known because of his intense, creative and often unexpected vision on changes that we see. Is it about energy or resources? What can we expect to see in the near future in the economy? The development of TurnToo gives him a very good businesscase and an interesting example to see how the Circular Economy works for an entrepreneur. What happens to his public is great to observe. In some keywords:

acknowledgement: almost everybody understands that there is a resource-issue in the world;

astonishment: since not all see immediately that we do not have an energyproblem, since all were educated with the idea of an energycrisis somewhere ahead in time;

curiousity: on understanding his line of thinking that brings some major shifts in the economy: performance based transactions;

insecurity: when the audience starts to understand that he is serious about changing ownership in ‘usership’;

enthousiasm:  as soon as people see the new perspective for home, for business, for education and policies.

It results in many questions and these questions help us to  think and rethink the way we work. That is almost the most exciting of it: everyday we, at OPAi, see the impact of the approach that is the fundament of TurnToo and the Circular Economy.

Douwe Jan Joustra focusses on the systemsapproach that is the fundament of the Circular Economy. In his presentations some key-elements are basic. Douwe Jan sees three fundamental spheres that give a real understanding of the Circular Economy: ecology (symbiotic relations and closed loops), thermo-dynamics (entropy) and biology (the 3.5 blj years of innovation). This leads to the Circular Economy that has clear feedbackloops and handles the externalities. The public has a little different reactions:

accelarated learning: as the listeners start to grasp that for most of them old knowledge is coming alive. Knowledge that we gained during science classes at school, now becomes functional;

recognition: in different steps in the group: some see it instantly, others look for the real meaning;

reluctance: in accepting that we need a new perspective on the economy, sustainability and the way we have to adjust our actual systems and the difficulties that the listeners see;

change of mind: is what most listeners encounter during the examples, the circular character and the appeal to human intellect that he gives;

openess to change is what happens in the end, people start seeing the possibilities of the circular economy, the need of ‘learning by nature’ and the first ideas for changes in (own) businesscases starts.

This brings questions and discussions. We at OPAi like that. For instance: is the circular economy a self steering system? Do we need much steering by governments? Are the feedbackloops indeed so well that all (companies) will feel the consequences of their actions? We think so, but we need more and more casebased evidence to anwer these questions. The first examp[les show us that the circular economy enhances:

  • energy-efficiency;
  • product innovation;
  • cradle to cradle in companies
  • profit for the companies.

Working on the realisation of the circular economy is thrilling, creative and a strong step forward on creation of a sustainable economic system. The One Planet Architecture institute supports the change where ever we can. Want advice or support? Contact us!

Hybrid, signs of a soft revolution?

Circular Economy, the sequel part 2

When I made a tweet on: ‘is it bottom-up or do we need to talk about bottom-based?’, it brought some interesting reflections. In the Netherlands we characterize the change as the “Energetic Society”. People, individuals are not waiting anymore for initiatives by governments or companies, they start their own cooperative company on car-sharing, care, maintenance, energy-suply and other issues. It is the joint feeling of independency that is a hughe driver for these initiatives. Be independent from large companies, like the energy-companies, be independent from unreliable partners (f.i natural gaz supply from Russia) and being independent of the large financial system, that seems to be the collective feeling that brings people together.

Those, mostly local, initiatives strive for self-sufficiency but now they still need the national grid for continious energy-supply and that is the same in many domains. So organize locally, use national partners: it has characteristics of an hybrid situation.

What’s so special on these hybrid situations? Well, they are a sign of change and change needs to outgrow the old system and needs to grow to a mature new system. Let me explain a bit more:

The dominant system in energy is a centralized system: powerplants, national grids and so on. It has advantages: low prices based on scale, reliability and continious quality. It also has disadvantages: dependency, centralized price mechanisms, strongly based on traditional resources (fossil fuels) and uncontrollability for the individual customer.

The new system can be characterized as a decentralized system. This also has some advantages: local producers of energy (sun, wind, geothermal and bio), client as partner in production and consumption, local grids, autonomy. Ofcourse there are also some disadvantages: maintaining continuity in supply, need of new organisation-models and gaining the right quantities in supply.

The actual system is a hybrid solution: use the advantages of both systems, deminishing the disadvantages. One could say that it is like the change in ships: steamvessels (new) with sails (old) in the 19th and early 20th century. By the way: we see this change nowadays appearing again. In the energysystem we see the same movement: from local energyfactories in the early 20th century to a completely centralised system in the early days of the 21th century and now we turn this around again.

The hybrid situation is part of the transition: we use the good elements of the old system to compensate the first failures of the new system. It is all about reliability.

So when a change is dawning from the actual linear economy to a circular economy, we tend to look for hybrid solutions. In the Netherlands there are initiatives to create a ‘Resources Roundabout’. That sounds circular and it has the intention to be the basis of a circular system but we organise it as a new solution for the failures of the ‘old’ linear economy. The name says it already: roundabouts are not intended to change the system of logistics in trafficmanagement, it is just a solution for the vulnerability of the crossroads of lines, roads. It helps traffic streaming more efficiently and safe. Not bad but also not a fundamental change. Maybe in the long term it will evolve or adapt to the new circular system.

The most difficult part of such a transition, from linear to circular, is to find the new ways of wheeling and dealing. What’s new? We see some initatiatives that found a new way: forget ownership of the customer, pay for performance, (collective) ownership of resources, growing attention on services etc. We will need to find more and fundamental solutions in the new, circular, system. That’s what we at OPAi are working on these days: new businessmodels, new valuecreation, new systems solutions and help/advise on implementing of the new, circular, economy in businesses and organisations/institutes.

For the moment we see a lot of hybrid solutions. Don’t worry, that’s a good thing: the existing has value, new values need to be developed and such a transition doesn’t need to be a deadly revolution, better might be the evolutionairy road. I would say, we need a revolutionair evolution. Why revolutionary? Because we need speed. Speed in innovation, new businessmodels, new economic values, new contracts and everything that is part of the new circular economy.

Circular economy, the sequel

In my latest blog I elaborated some insights on the Circular Economy, let’s say some of it’s principles. This brought on the next question by Helene Finidori in the ongoing discussion on ‘revolutionary thinking on economics’ (linkedIn Group: Systems Thinking World):

“Douwe, thanks your blog. How do you see the circular aspect of finance? And the governance of “resources [as] a common good. So a “fee for use” can be introduced. This brings interesting options for financing.” I think that if we manage to express the circular economy (with its idea of replenishment if this idea does exist in your perspective, you do not mention it in your article) in a way that encompasses the finance and commons aspect of it, we will have progressed a bit… In other words, how can you describe the circular economy in a way that it fits the transition?”

This, and some other comments, made me think on these issues: how does the valuechain get it’s fundaments? Also the question on how to percieve the notions of Good and Bad came forward.

Since my focus is that  the circular economy must be seen from a systems perspective, I would suggest to skip the notion of ‘good’ and ‘bad’. These are used far to often in the sustainability debates , making it to a ‘moral’ issue. Nature and systems do not know the concept of morality, we, humans, tend to overcompensate this: we do know these morality-concepts and exagerate the use of them. Still it are notions that help ‘us’ to see what is better or worse. So a few elaborations on these issues:

Let’s start to look again to the feedbackloops in the Circular Economy and the fundamental changes they bring:

- change of ownership from consumer to producer gives a short feedbackloop. The products with poisones materials come back in their own system, products not fit for disassembly come back and bring loss of valuable resources: so innovation is to be preferred because of selfinterest for the producers;

- agreements based on product-service combinations (=performance) show the producer directly where they can anhance the quality of performance, the benefit is there immediately (as Philips saw at our office and they changed/re-arranged the lightconcept: 60% efficiency in use of electricity was achieved without loss of performance: Philips benefits, because they have less costs on electricity);

- resources keep their economic value based on the day-value of achievement: when the producers is able to use them fit for re-use, the value is kept. This is a direct value for the producer and a strong feedbackloop.

There must be more examples. But I hope that I made my point: the circular economy has more systems characteristics than the ‘old’ linear economy. That is why discussions on the linear economy focus on achieving efficiency (making things a bit better) and become very difficult. The circular economy is based on a systemsperspective, is a fundamental change (transition) and has hughe incentives for as well the producers as for the users (former: consumers).

Bad: non-efficient and non-effective, as Michael Braungart of Cradle to Cradle characterizes it. This is where we need laws and regulations, to safeguard a healthy life for all. This is not different in a linear or circular economy. This is the role of governments, our common guardian: though in many places around the world they seem to have another agenda…

good: not just efficient (because efficient is ‘less bad’), but we need to strive for effectiveness. This fits to the general definition of ‘good’: “any benefit, increase in resources, possibilities and outcomes that do not generate an externalized bad or harm”. I would say even stronger: outcomes that are benificial for healt of all people and ecology.

The externalized costs should be part of the responsability that producers have, maybe just a new meaning of the ‘polluter pays’ principle. That could be a change in governance: taxes on declining of value.

Perpetual growth? Yes, we will see growth, at least in quality of life and performance of products. The question is whether it will take more, more and more virgin resources/materials. Products have an increasing shorter lifetime of use: the old telephone worked for 40 years or more, nowadays we strive for the newest phone as soon as it is marketed with new gadgets/apps. Is this a bad thing? Yes, as long as the producers don’t care about design for disassembly and even don’t have an interest in your ‘old’ phone: why does Apple not use a TurnToo way of trading? see www.turntoo.com. If they would, it will just be energy and labour as basics for the new product: both no problem. No problem? No, energy is around in overwhelming amounts, thanks to the Sun and we like to see people have labour.  So, growth will be there in terms of quality at least for the western markets and partly for the emerging markets in the BRIC-countries. The real developing economies will tend to ‘classical‘ growth, I assume. This brings the question: can we stop growth? or Do we want to stop growth? I would say that, just like in nature, mankind will keep striving for more diversity and quality of life. Are we able to adjust this proces from quantity-oriented to quality-oriented? As we know from natural processes growth will mean quantity before quality (diversity/resilience) comes in.

Does this give an answer to the stated issues? No, not really, because we (or maybe just me) are just starting to grasp what the transition to a circular economy really means. Let’s keep the discussions going!! We need to learn much, much more!

for some background publications, see:
www.circulareconomy.com

The Circular change

We face a real transition in the economic system: from the actual ‘linear’ to a ‘circular’ system.  That brings some different needs for enhancing the change. We could wait and see, but we know from the transitiontheory that you can speed up the process, through transitionmanagement.  The change has to take place on all kinds of levels: as well as scale levels, as organisational levels. The real question is: “what do we need for speeding up this transition?” A far too complex question for one clear answer. We will need new businessmodels, new concepts of ownership, new models of value creation, new perspectives on clients and the provided performances. OPAi cooperates with the Ellen MacArthur Foundation. They did excellent work on idea-development, educational materials and insights and real fundamental analysis of the possibilities and future impact of the circular economy on the European economy. Their report ‘Towards a Circular Economy’ can be found here: http://www.thecirculareconomy.org/

Another good source of information on strategies for the Circular Economy is the report made by the Aldersgate Group, find it here: http://www.aldersgategroup.org.uk/reports It is called ‘Resilience in the Round, seizing the growth opportunities for the Circular Economy’. It was presented at the Base conference 2012 in London on the 21th june 2012. Our managing partner, Douwe Jan Joustra, presented there, on behalf of the Ellen MacArthur Foundation, his vision on the basics and governance of the Circular Economy. His slides can be found here: http://prezi.com/iot7wycrgvtp/basics-and-governance-of-the-circular-economy/ 

Ofcourse we learn on a daily basis of the activities in the market of TurnToo, the circular businessmodel that OPAi-partner Thomas Rau, developed and is executing right now. For some backgrounds on this company, see www.turntoo.com

This brings us to some thoughts on the circular economy that we like to share. Since we teamed up with the Ellen MacArthur Foundation and the Aldersgate Group, some of their insights are used also. Our principles are:

Rethink the quality of nature: use and re-use of nutrients and materials;

Rethink the financials of use of resources, all materials are used temporarely;

Rethink our energy need and supply: use the Solar-incoming energy, wind and geothermal;

Value the quality of diversity as basic element for resilience;

Redesign our economic perspective (i.g. ownership) for a performance based perspective (i.g. useability: the ‘new ownership’)

Redesign activities and products (design for disassembly)

Experiment, explore, and accept insecure results.

This brings 8 new ways of working around, that we are facing these days:

1. Design new (performancebased) businesscases that work on the essentials of the Circular Economy. It needs new perspectives but also new skills for professionals at all levels in organisations. Rethinking the relation between producer and consumer (as well private as businesses) is a creative process that needs some thinking in a counterintuitive way, or out-of-the-box. OPAi has the instruments and methodology to do this with interested clients. Also we provide, together with Greenbizz Startup, a 4 day workshop on the principles of the Circular Economy, Businessmodels and creation of Service design in relation to resource management, client relations and performancebased solutions.

2. Learning by Nature is a state of mind and a smart way to find designprinciples for (new) business and products. We see that the knowledge of fundamental principles of nature are not used on a daily basis, maybe some biomimicry (learn functional from biology). There is more: ecology on relationship and patterns, Thermodynamics on energy and ‘matter’. For a systemic way of looking at organisations, products, logistics and societal arrangements (for instance: cities);

3. Financing and rethinking values new businesscases bring new financial arrangements. For the Circular Economy the service-agreements between producer and user are key. There is more to that. New financial arrangements are also needed for the performancebased use of resources. We envision startegies that make resources a common good. So a “fee for use” can be introduced. This brings interesting options for financing.

4. Systems change and provide us with completely new perspectives on housing and offices in the building sector, as well for renovation as for new buildings. Also on office-use and comfortable living we see fundamental changes. New businesses like Car2Go, the Coffee Company, Seats2Meet, Washing and more can be seen as the frontrunners that acknowledge that new ways of business are based on providing service and performance. How to change your business?

5. Educate, Educate, Educate is an important aspect of our ork now a days. We have a close cooperation with the Ellen MacArthur Foundation and we do lectures for them: business schools, webinars, conferences and in the near future a broad program for all formal and non-formal education. We see the need of professionals who rethink and redesign their way of working, individually and on company-level.

6. Scale changes because of new energy in society. However people like to have a lot of interdependencies, they also like to be independent. This independency is mostly felt in the field of energy. The creative civilian doesn’t need the oil-, gaz- and electricity companies anymore: by creating on local level their own Energy Company or Energy Service Company, they create a feeling and fundament of independency. Also projects based on cooperative car-ownership and other collaborative sharing bring new economics to live. We support this change, see businesscases and create the basics for initiators.

7. Transitionmanagement is our corebusiness. We identify the ‘next step’ or even better the ‘next leap forward’. Planning the interventions that are needed to speed up the process of change is what we do best.

8. Governance needs a redesign also. We envioned that this will be a major change, from a directive basis to a condition based approach. That means that governments as well national and local, need a new vision on their approach to their governance strategies.

We see a great transition coming. It will change the economic ‘game’ to an extend that is yet beyond belief. Feedbackloops change, responsabilities change and speaking in terms of sustainable development, this could be the key to a major shift in the relation between human, ecology and economy. Next time we will focus on this.

the Hitchhiker’s guide to the Circular Economy

Op het Nationaal Sustainability Congres 2011 organiseerden The Natural Step NL en het One Planet Architecture institute in samenwerking met DHV, een workshop over de impact en aanpak van concepten als The Natural Step, Cradle to Cradle, Biomimicry en TurnToo voor Nederland: bedrijven, overheden, onderwijs en andere organisaties en personen. Te kort natuurlijk, zo’n workshop en de belangstelling was overweldigend. Deze workshop was eenmooie stap om de onderwerpen en kansen voor verschillende spelers te identificeren. Er is nu merkbaar ruimte voor ondernemerschap en vooral leiderschap met visie op een duurzame toekomst. We krijgen samen een kans om vorm te geven aan een nieuwe, duurzame, economie. Voor de partijen die er in slagen de nieuw ontstane koppelingen te maken en samen met anderen hier vorm aan geven is er de belofte van onderscheidende business modellen en bijbehorende
waardecreatie.
De oorspronkelijke titel van dit rapport was ‘Verslag Workshop’ en naarmate het schrijven van dit rapport steeds weer nieuwe perspectieven aan het licht bracht, werd het duidelijk dat deze titel de lading al lang niet meer dekte. Na het voltooien van het rapport kwamen we tot de ontdekking dat de inhoud en vooral de ontwikkelingen rondom de Circulaire Economie steeds meer gelijkenis vertoonde met de ontwikkelingen rondom het boek ‘The Hitchhiker’s Guide to the Galaxy’ van Douglas Adams. Alle media en bewerkingen van dit boek volgen in grote lijnen dezelfde plot, maar wijken toch in veel details van elkaar af. Dit omdat Adams het verhaal voor elke bewerking herschreef. Belangrijke verschillen zijn vaak dat bepaalde gebeurtenissen in de verschillende bewerkingen in een andere volgorde of binnen een andere context plaatsvinden.
Dit zien de auteurs ook terug in de ontwikkelingen rondom de circulaire economie. De plot, in onze context een duurzame samenleving, blijft hetzelfde maar de manier waarop we daar gaan komen blijft onderhevig aan ontwikkelingen door innovaties, economische veranderingen, politiek klimaat en de urgentie die zich in de komende jaren rondom bepaalde deelonderwerpen (grondstofschaarste, natuurrampen, conjunctuurschommelingen) zullen manifesteren. Gebeurtenissen en feedback-loops met positieve en negatieve lading. OPAI gaat daarbij sterk uit van de mogelijkheden om de toekomst mee vorm te geven: rethink and redesign is het motto. Vooruitkijken en opnieuw beginnen, zo lijkt het. Dat is niet helemaal waar. Het opnieuw beginnen is in onze optiek vooral een zaak van herontwerpen van bestaande producten en systemen. De beschaving van de afgelopen eeuwen heeft veel goeds gebracht, de uitdaging is er nog veel meer goeds aan toe te voegen. Dat vraagt nieuwe manieren van kijken. Een omslag in denken die voor OPAi belangrijk is om tot de circulaire economie te komen is: van eigendom naar gebruik. De eindgebruiker krijgt grondstoffen in de vorm van een product, tijdelijk, in gebruik voor een bepaalde prestatie: u krijgt licht in plaats van een lamp, is daarvan een sprekend voorbeeld.

Dit rapport geeft een inkijk in de uitdagingen die een circulaire economie met zich meebrengt. De zienswijzen, acties, doelen en strategieën zullen in de komende jaren zeker veranderen maar de ‘end game’ blijft hetzelfde. Een duurzame samenleving met een circulaire economie kan alleen vorm krijgen als deze zich ontwikkelt binnen de grenzen van het systeem aarde: one planet. Met andere woorden; dat we nieuwe zienswijzen hanteren bij iedere ontwikkeling die tot doel heeft om een circulaire economie mogelijk te maken. Door deze open houding is het mogelijk om steeds meer zienswijzen en invloeden van diverse belanghebbenden in deze transitie mee te nemen. Diversiteit en flexibiliteit zijn kenmerken die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken en ,principieel, dat we daarbij steeds werken aan de waarde die onze acties toevoegen aan de maatschappij – sociaal, maatschappelijk, ecologisch en economisch -.
Hett rapport is samengesteld door stichting The Flexible Platform /The Natural Step NL in samenwerking met het One Planet Architecture institute (OPAi) en DHV.

opvragen van het rapport ‘The Hitchhiker’s Guide to the Circular Economy via mail: djj@opai.eu

tijdelijk ook hier te downloaden

Evaluation (local) sustainability

AN INTER-SUBJECTIVE APPROACH

–below in dutch–

Review of policies is presently done in several ways: monitoring, evaluating qualitative and quantitative results, scientific research and policy analysis. Municipalities invest in these monitoring tools which can contribute to gaining insight into the effectiveness of policies. These instruments have a common characteristic, namely the pursuit of an objective analysis. For the ‘public review’ and ‘public debate’ these instruments hardly give the appropriate information and at least need an adequate communicative translation.

What authorities persue is an interaction with society. Then feelings, individual value and estimations of results do effect the debate. Thus I will give a new, specific, way of looking at this evaluation. An instrument that uses these estimations, feelings and results. This creates a form of ‘inter-subjective testing’, which seems to be consistent with the administrative and social reality of the “energetic society”. Energetic because people, organizations and businesses are not waiting anymore: they start acting!

Sustainability
In this blog I see local sustainability and local climatepolicies as interconnected.
Both are ill-defined concepts, which means that there is no scientific (hard) definition. It is the context in which the terms are used, that determines the content, depth and quality of interpretation. This makes sustainable development and climatepolicies not only ill-defined but also multifaceted: the diversity of definitions, approaches, translated into daily practice (thinking and acting) make it to relatively elusive concepts.

Local, sustainable and climateproof
What are the main issues in working on sustaining the city and making the city climateneutral? For local governments, the following six basic criteria are important to assess:

* use of good materials and their re- or upcycling;
* use renewable energy
* strengthening local involvement through citizenship en entrepreneurship;
* enhancing quality of life: cultural and biological diversity;
* contribution to learning of life’s principles and
* enhancement of the circular economy.

These issues are a good basis for dialogue between citizens and government. Nowadays we think it is essential for the ‘energy of the city’ to gain cooperation between citizens, institutions and businesses.
This approach is largely still in its infancy.
The choice of a multi-track approach makes it difficult to recognize whether the municipality is actually on its way to sustainability, or are only at level of detail involved in nice, but harmless, activities. Existing instruments have mostly a focus on benchmarks of municipalities and are aimed at monitoring results (administrative concept). Instruments that meet the basic principles of sustainable development and lead to a public debate on current developments in the Netherlands are not available. I see that a more public debate on progres is needed.

Keys in the public debate
To opt for an inter-subjective approach leads to debate. This prevents discussion to arise about the naming of parameters for an effective review of the results of the sustainability policy. The real review is in the opinion of different stakeholders on the percieved progres. Find these, compare them, bring the results in the public debate through newspapers or internet and the discussion will start.

Basis for such an approach is a relatively simple assessment tool with which opinions on progres are identified. The basis for this is found in the methodology used in Seattle (USA) in the early nineties. Through questions and displaying opinions, the sustainability progres is pinpointed.

Method
It is logical to assume four phases as the basis for the described method of testing in the public debate.
Phase 1: the first verdict: Capturing assessment of progress with sustainable development by representatives of local-council, residents, community organizations and businesses;
Phase 2: enlarge: publication of the opinions expressed by a global analysis of the differences in evaluation;
Stage 3: the reaction: Initiate public debate, focused on analysis, appraisal, exchanging views and providing areas for improvement based on dialogue and
Phase 4: the current view: displays the results of the debate in the press and in a report to the council.

the first assessment
A selected group of local representatives will receive a brief scorecard presented which prompted positive / negative scoring (scale 0 – 10) on a number of areas relating to the proposed local sustainable development.
These areas should be related to these six issues:
* use of good materials and their re- or upcycling;
* use renewable energy
* strengthening local involvement through citizenship en entrepreneurship;
* enhancing quality of life: cultural and biological diversity;
* contribution to learning of life’s principles and
* enhancement of the circular economy.

Magnify
In a journalistic approach, the above assessment of Representatives will be published. Identifying salient differences, analyzing the data relating them to formulated policy goals and commitment to sustainable development. Goal is an active search for public input (dynamic) in the analysis.

Reaction: public debate
The debate focuses on starting a public dialogue that is not going to condemn, but to assess and improve policy and implementation. The public debate can be arranged in different ways.

Display
Based on the appraisals and the substantive discussion taking place in the ‘debate’ a report on sustainable development of the municipality (or county or ..) in the past year can be made. This report provides an analysis of the results and a reflection of a consultant / expert on the data results and sustainable perspective that emerges.
This report can then be presented to the City Council, the local press and other relevant fora.

The KEY
The effect of the evaluation is done based on the local characteristics that are important for the desired progress of policies and through this approach it bring an inter-subjective result. Valuable for (local) politicians and policymakers. Ofcourse it is possible to take more along in the evaluation: the activities of civilians, companies, schools and other local institutions.
A powerful tool for enhancing the quality of sustainable development.

Douwe Jan Joustra

——–DUTCH——

TOETSEN VAN DUURZAAMHEID: LOKAAL
via inter-subjectieve toetsing

Toetsen
Toetsing van beleid kan op verschillende manieren plaatsvinden: monitoring, evaluatie kwalitatief en kwantitatief, wetenschappelijk onderzoek en beleidsanalyses. In gemeenten worden hiervoor monitoringsinstrumenten ontwikkeld die kunnen bijdragen aan het verkrijgen van inzicht in de effectiviteit van beleid. Instrumenten die een gemeenschappelijk kenmerk in zich hebben, namelijk het streven naar een objectieve analyse (als beleidsinstrument). Voor de ‘publieke beoordeling’ en het ‘publieke debat’ zijn deze instrumenten echter nauwelijks geschikt . Beter lijkt het om het debat te benutten voor toetsing van vooruitgang.

Er ontstaat dan een vorm van ‘inter-subjectieve toetsing’, die lijkt aan te sluiten bij de bestuurlijke en maatschappelijke werkelijkheid van de energieke samenleving.

Duurzaamheid
Duurzaamheid is het streven naar een duurzame ontwikkeling, waar het gaat om het vinden van een balans tussen economische-, ecologische- en sociaal-maatschappelijke belangen. Belangrijk daarbij is het element tijd als vormende factor. Duurzaamheid wordt beschouwd als een ill-defined concept, hetgeen zoveel wil zeggen als dat er geen wetenschappelijke (harde) definitie is. Het is de context waarin de term gehanteerd wordt, die mede bepalend is voor de inhoud, diepgang en kwaliteit van de invulling. Daarmee is het niet alleen ill-defined maar ook pluriform: de diversiteit aan definities, benaderingswijzen, vertaling naar de dagelijkse praktijk (denken en handelen) maakt dat het een betrekkelijk ongrijpbaar concept is.

Lokaal duurzaam
In de discussies rondom duurzaamheid op lokaal niveau wordt veel gebruik gemaakt van de volgende invalshoeken als referentie voor beleid. Lokale duurzaamheid draagt bij aan:
* gebruik van goede materialen en beheer van grondstoffen;
* gebruik van duurzame energie;
* versterken van de ‘energieke samenleving’;
* versterken van kwaliteit van leven door culturele- en biodiversiteit;
* bijdragen aan het leren (life’s principles) en
* realiseren van de circulaire economie.

Dat laat zich ook vertalen in een aantal basisreferenties die benut kunnen worden om tot goede toetsingscriteria te komen voor de duurzame lokale ontwikkeling.

Daarnaast lijkt duurzaamheid ook een werkwijze in de relatie tussen burger en bestuur te omvatten. De gemeente Tilburg constateerde in haar reeks gesprekken over duurzaamheid dat ‘de winst ligt bij anderen’. Het is de samenleving die het streven naar duurzaamheid heeft opgenomen. De keuze voor een meersporen-aanpak (bestuurlijk op politiek niveau en maatschappelijk) maakt het moeilijk om vooruitgang te herkennen. Is de gemeente daadwerkelijk op weg naar duurzaamheid of slechts op detailniveau bezig met leuke, doch ongevaarlijke, activiteiten. Bestaande instrumenten richten zich of op vergelijking tussen gemeenten of zijn gericht op het monitoren van resultaten (bestuurlijk concept).
Instrumenten die tegemoet komen aan de basisprincipes van duurzame ontwikkeling en die leiden tot een publiek debat over de actuele ontwikkelingen worden in Nederland nog niet toegepast. Toetsing van de voortgang van de lokale duurzame ontwikkeling hoeft niet objectief gemaakt te worden, een inter-subjectieve benadering, waarbij meningen expliciet worden gemaakt lijkt effectiever.

Toetsen in publiek debat
Bewust kiezen voor een inter-subjectieve aanpak heeft tot gevolg dat debat mogelijk wordt. Daarmee wordt voorkomen dat discussie blijft ontstaan over het benoemen van effectieve parameters voor toetsing van de doelmatigheid van het duurzaamheidsbeleid. Het publieke debat is het instrument waarmee communicatie tussen verschillende partners over de voortgang van duurzame ontwikkeling mogelijk wordt. Daarbij heeft dit als effect dat bewustwording van de effectiviteit van maatregelen en besluitvorming ontstaat.

Grondslag voor een dergelijke benadering is een betrekkelijk eenvoudig toetsingsinstrument waarmee meningen worden gevraagd. De basis hiervoor is te vinden in de werkwijze die in Seattle (USA) in het begin van de jaren negentig. Door middel van het vragen en weergeven van meningen, krijgt de duurzaamheidstoets inhoud. Daarmee ontstaat een werkwijze die op langere termijn een steeds verfijndere toepassing krijgt, doordat de motivatie van de meningen in belang groeit. De reflectie op de effectiviteit van het beleid, via een openbaar debat, maakt zorgvuldigheid in meningen noodzakelijk.

Over de werkwijze en uitvoering, is een uitgebreidere versie van dit blog op te vragen bij

Douwe Jan Joustra
djj@opai.eu

deze methode is bedacht door Douwe Jan Joustra en Wil Ronken (toen beiden: novioconsult)

Area development: a systems approach

english, dutch below

New sites for building: work and living, are still being developed, despite the downfall of the economy. These days I had some meetings on these issues. In Russia, on an Indian project and some discussions in the Netherlands. When I read an article on the new way to work on area development, by professor Jan Rotmans, I realized that it is more then theory. Rotmans states that area should not be planned any more, it is all about an almost natural development. Understanding and working with the qualities of the systems seems to be the way to go. From a systems approach the following may be expected of the professionals:

recognize the value of the area in its present form
Before attempting to work in an area, look at the way it operates. The patterns of the area provide the basis for analysis at different scales. Recognize the forces that have borne the system and recognize the value(s) means “get native to the place“.

Feel the rhythm of life (human and natural) in the area
Thinking in patterns can help to create an adequate ‘fact finding’. OPAi is part of the “Pattern Initiative” (Pi) that is creating a Pattern Language for Area Development. Now focus on the qualities of the area with field knowledge and expertise from known mappings, field surveys, interviews and historical insights, leading to a feeling for the area. See the structures, and connective (dependency) relationships in the area that make the system powerful. The rhythm of life in the area gives indications for future development.

work outside because the area is real
Work outside existing frameworks and the experience of physical presence in the area go together. The existing frameworks determine prevailing paradigms of those involved. Embracing the differences requires a lot of energy. Bring ideas out, literally and figuratively, makes the discussion. Through discussion and analysis together outside, in the field, the major patterns will become visible.

be a learning professional
Areas are complex systems and patterns require interpretation. Be open to intuition and learn step by step from the area, the patterns and beliefs/mental models of others. This learning process will consist of many small steps and “jumping to conclusions” should be avoided. The will to open your mind-set during the whole process is an important quality. It requires the will to work with uncertainty and error-friendly setup. This is the basis for a learning approach.

Identify and appreciate quality
“Knowledge is power” is a dominant approach of our society. It gives the idea that measuring the essential information makes decision making possible. Area development is about quality: the beauty of the landscape, the viability of a neighborhood or the social ties of people with their environment. Values ​​are not measurable, measurement and knowledge is at best a mat. Dare to identify what is really important. Moreover, attention to small elements are important, but the quality of the whole heart is in area. Appreciate quality.

look at the horizon, look over there, especially the time horizon
Details are the parts of the whole. Area development focuses on the whole with respect to details. Over the horizon, looking beyond the existing conditions is the first step to create development across generations. What is grown over time? Growth and development of values ​​takes time and will in the future, time should be given. Interventions set the tone for generations. In the area the existing is result of actions yesterday and at the same time those of previous generations, decades or even hundreds of years ago. It is also important to have your own horizon to look and listen to the perspective of others: that works enriching.

current beliefs and letting go, to find appropriate insights
Systems we identify are formed through our own mental models. Through interdisciplinary work on identifying qualities in the area, multiple mental models come in the picture. Dare to let go of ‘bold’ value models, together, to help new and appropriate insights. Interdisciplinary processes work when there is involvement in the search for shared or common values. The knowledge is important, working together and learning together is even more important.

recognize complexity, feel the challenge of dealing with them
Areas are complex systems. Recognizing this complexity leads to different reactions: control, strengthening and creation of conditions. The existing landscape is complex and not completely to understand. In areas that complexity plays a role. How do values relate in an area, what makes it beautiful and what will soon make it into a working system? Recognize this complexity and a vision to develop with the courage to do it right, including the uncertainties related to it, is the great challenge of sustainable area development.

adopt a guiding concept
Knowledge of the area, analysis of patterns and recognition of internal and external relations leads to insight. To achieve a meaningful development for the area to come, a guiding ‘concept is important. This is a broad concept known as ‘Cradle to Cradle’ (Almere, Venlo, Haarlemmermeer) or a more specific like ‘permaculture’ as the basis for Eva Lanxmeer in Culemborg (NL). By its own set of ‘principles’, an area-based guiding concept can be realized.

elegantly choose, be decicive in realization
One-sidedness, directive or decision dominance does not fit in a system-oriented approach. The choice for guiding ‘principles’ and elaborations is a prerequisite for sustainable area development. It is important to be tenacious (but flexible in compromises regarding the detailed solutions) to come to high quality, sustainable, realization.

  • Dutch:
  • Gebiedsontwikkeling: werken vanuit systeembenadering

    Gebiedsontwikkeling gaat door. In Nederland maar ik kwam ook in discussies over projecten in Belgie, Rusland en India terecht. Binnenkort ronden we het project ‘Patroontaal voor duurzame gebiedsontwikkeling’ af. Een project voor het ministerie van I&M door het “Patroontaal initiatief” (Pi). Daarover eind van deze maand meer. Nu las ik dit weekend het essay ‘Crisis als kans’ van prof Jan Rotmans. In de kern genomen geeft hij aan dat gebiedsontwikkeling niet meer een zaak van zorgvuldig plannen is, maar van een min of meer natuurlijke ontwikkeling. Dan komt het nadenken over het gebied als systeem tevoorschijn. Onderstaand een aantal kwaliteiten die van belang zijn voor het werken aan gebiedsontwikkeling vanuit een systeemperspectief.

    herken de waarde van het gebied in zijn huidige vorm
    Alvorens ingrepen te doen in een gebied, kijken naar de manier waarop het nu functioneert. Kijken naar patronen geeft de basis voor analyse in het gebied op verschillende schaalniveaus. Erken de krachten die het systeem nu dragen en het herkennen van de waarde(n) betekent: ‘get native to the place’.

    voel het ritme van het leven (mens en natuur) in het gebied
    Zoeken naar patronen helpt hierbij om tot een adequate ‘fact finding’ te komen, waarbij veldkennis en reeds bekende kennis vanuit karteringen, gebiedsanalyses, interviews en historische inzichten, leidt tot een gevoel voor het gebied. Zie de structuren, verbindingen en (afhankelijkheids-)relaties die het systeem in het gebied krachtig maken. Het ritme van leven in het gebied geeft indicaties voor toekomstige ontwikkeling.

    werk buiten want het gebied is echt en dat geeft voeling
    Werken buiten bestaande kaders en de fysieke ervaring van aanwezigheid in het gebied gaan samen. De bestaande kaders bepalen heersende denkmodellen van betrokkenen. Openstaan voor de verschillen vraagt veel van allen. Naar buiten brengen, letterlijk en figuurlijk, maakt het bespreekbaar. Sommige modellen zullen om toetsbare redenen afvallen. Door debat en samen buiten analyseren komen de belangrijke patronen steeds meer in zicht.

    wees een lerende professional die indrukken verwerkt
    Gebieden zijn complexe systemen en de patronen vragen om interpretatie. Sta open voor intuïtie en leer stap voor stap van het gebied en de opvattingen/denkmodellen van anderen. Dat leerproces zal uit vele kleine stappen bestaan, waarbij ‘jumping to conclusions’ voorkomen moet worden. De wil om de denkrichtingen bij te stellen, gedurende het hele proces, is een belangrijke kwaliteit. Het vraagt de wil om te werken met onzekerheden en een fout-vriendelijke opstelling. Dat is de basis voor een lerende aanpak.

    Identificeer en waardeer kwaliteit
    ‘Meten is weten’ is een dominante benadering van onze samenleving. Het geeft het idee dat meten de wezenlijke informatie verschaft voor besluitvorming. Gebiedsontwikkeling gaat over kwaliteit: de schoonheid van het landschap, de leefbaarheid van een wijk of de sociale binding van mensen met hun omgeving. Waarden zijn niet meetbaar, het meten en weten vormt hooguit een onderlegger. Durf te benoemen wat werkelijk belangrijk is. Overigens is aandacht voor kleine elementen belangrijk, maar de kwaliteit van het geheel staat bij gebiedsontwikkeling centraal. Waardeer kwaliteit.

    kijk naar de horizon, kijk er ook overheen, zeker de tijdshorizon
    Details zijn de delen van het geheel. Gebiedsontwikkeling richt zich op het geheel met respect voor details. Over de bestaande horizon heen kijken en de omstandigheden (condities) creeren voor ontwikkeling over generaties heen. Wat er is, is gegroeid in de loop der tijd. Groei en ontwikkeling van waarden vraagt tijd en zal ook naar de toekomst toe, tijd moeten krijgen. Ingrepen zetten de toon voor generaties. In het gebied spelen acties van gisteren een rol, maar tegelijkertijd ook die van vorige generaties, tientallen jaren of zelfs honderden jaren geleden. Tegelijkertijd is het belangrijk om over je eigen horizon heen te kijken en te luisteren naar het perspectief van anderen: dat werkt verrijkend.

    actuele opvattingen loslaten en zoek passende inzichten
    Systemen die wij identificeren, vormen we naar onze eigen mentale modellen. Door interdisciplinair te werken aan identificatie van patronen komen meerdere mentale modellen in beeld. Durven loslaten van vaststaande waardemodellen helpt om samen tot nieuwe, passende, inzichten te komen. Inter- of zelfs transdisciplinaire processen werken als er betrokkenheid is bij het zoeken naar gedeelde of gezamenlijke waarden. De kennis is belangrijk, het samenwerken en samen leren is belangrijker.

    herken complexiteit, voel de uitdaging om die aan te pakken
    Gebieden zijn complexe systemen. Het herkennen van die complexiteit leidt tot verschillende reacties: beheersen, sturen, versterken en creatie van condities. Het bestaande landschap is complex en niet geheel te doorgronden. Bij gebiedsontwikkeling speelt die complexiteit een rol. Hoe ontstaat zelfsturing in een gebied, wat maakt het mooi en wat maakt het straks tot een werkend systeem? Die complexiteit herkennen en een visie durven te ontwikkelen die daar recht aan doet, inclusief de onzekerheden die er bij horen, is de grote opgave van duurzame gebiedsontwikkeling.

    hanteer een richtinggevend concept
    Kennis van het gebied, analyse van patronen en herkenning van interne en externe relaties leidt tot inzicht. Om tot een betekenisvolle gebiedsontwikekling te komen, is een richtinggevend ‘concept’ van belang. Dat kan een breed gekend concept zijn als Cradle to Cradle (Almere, Venlo, Haarlemmermeer) of een meer specifieke als permacultuur die de basis vormt voor Eva Lanxmeer (Culemborg). Door een eigen set ‘principles’ te ontwikkelen wordt een gebiedsgebonden richtinggevend concept gegeven.

    choose elegantly, be decicive in realisation
    Eenzijdigheid, dominantie of directieve besluitvorming past niet bij een systeemgerichte gebiedsaanpak die een duurzame ontwikkeling mogelijk maakt. Gedragen keuze voor de richtinggevende ‘principles’ en nadere uitwerkingen is een eerste voorwaarde voor duurzame gebiedsontwikkeling. Het is zaak om vasthoudend (compromisloos maar flexibel ten aanzien van de detailoplossingen) tot realisatie te komen.

    Cradle to Cradle in motion

    Towards an action program Cradle to Cradle (C2C) was the theme of the conference in the provincial house in Leuven (B) on 26 October 2011. About 60 people from business, government, research institutions, civil society and education met. It provided interesting conversations about topics such as the role of government), education programs, area development, the power of networks and the roles of the various ‘parties’. Some topics were discussed and the key was:

  • Governance: let it go and be supporter instead of an attendant;
  • Education: focus on basic knowledge (learning from nature?)

  • Areal development: the search for new approaches, connect people and areas;
  • Networks: active learning and activating;

  • Knowledge institutions: Find the fundamental values that strengthen the quality of work on C2C;

    Actually, it’s mostly a matter of learning from each other, organise it as a social learning process: open, communicative, in depth, reflective and a mutual search for meaning and renewal.

    Looking and listening to the debates, I heard some elements that I like to clarify. In the form of four questions in the background (and sometimes very directly in the foreground) these insights emerged:

    1. C2C is a truth and the sole solution?

    The message of Michael Braungart is still very literally taken in Flanders. This makes the discussions sometimes unnecessarily harsh. Cradle to Cradle is a powerful concept, for people and companies because it provides a perspective for direct action. A product can be redesigned in a C2C approach, quite directly: clean, re-useable resources and further high-quality use. The C2C lab Venlo has a seven-step approach, which works instantly for users. This approach, says Roy Vercoulen (roy@c2cexpolab.eu) of the C2C-lab, is available to interested parties. Work with these seven steps is quite different from C2C certification, but for a company is the first possibility to move forward.
    For me, the strength of Cradle to Cradle is above all:
    Learning to see: a linear to a circular approach;
    change: from guilt management to value orientation (what value do you/your product add to the system?)
    Reflection: work on efficiency (bit better) becomes working on effectiveness (doing good) and
    thinking: new solutions, different design or innovation at the system level.

    2 Trust?
    Classic environmental policy is based on distrust and thus has much controlling instruments. What does ‘trust’ in the C2C approach mean for me:
    trust in the power of natural processes
    trust in the creative power of people and
    trust in the power or impact of C2C.
    This allows us to let the strategy of defending or attacking behind us. Growth is the natural process, inspiration reinforces thinking about new forms of creation (and redesign) and the effect will be as a “slow tsunami” development.

    3 Tools?
    Many policies are built on piles of legislation or other directive policies. That’s what some of the discussion was about: finding databases, regulatory and financing. In my opinion C2C enables us to focus on socially useful tools:
    a new way of thinking requires a new approach (which shows the traditional instruments they are;
    See, hear and recognize gives understanding, and it enhances often a kind of “enlightened self-interest” feeling for companies and institutions;
    Funding is limited and focused on “accelerating transition interventions’ (from masterclass to pubications, field visits to design laboratory, etc);
    work on innovation, such as procurement of products and housing/infrastructure (now: Design, Build, Finance and Maintain (DBFM) but later also Service: DBFMS?) and
    The government as launching customer gives leaders in business an incentive for their efforts. This is also known as: innovative contracting. The importance is that this gives a market incentive to innovative and active organisations.

    4 roles & expectations?
    During the discussions in Leuven there were also talks about ‘the’ other. It is a line of thinking that does not really fit in the Belgian mores, so it was not very strong present. A few reflections fit in well here:
    government is not in the lead, entrepreneurs and enterprising citizens have (the Energetic Society);
    use knowledge that is highly available, but it probably requires some “reframing”;
    Create the conditions that enhance development of C2C (eg by working with area characteristics and principles);
    education has primarily a task when it comes to basic ecological knowledge (life’s principles, learning from nature) and only secondary as a display of C2C solutions
    businesses feel increasingly responsible on sustainability and innovation towards C2C: the circular economy is growing steadily.

    tell the story
    appreciate the wonder and
    The story focuses on the listener.

    Reading tip:
    Sense and Sustainability
    Ken Webster and Craig Johnson, 2008
    ISBN 978-0-9559831-0-8

  • Klimaatbeleid 2.0

    Afgelopen week had ik verschillende discussies over de aanpak van lokaal klimaatbeleid. De contouren van ‘Klimaatbeleid 2.0′ worden steeds duidelijker. Dat is waar we naar zoeken en over spreken.
    Dat gaat zowel bestuurders als hun ondersteuners/uitvoerders aan. In de gesprekken kwamen ze ook allemaal tevoorschijn. Waar is de bestuurder zonder meedenkende ambtenaren en waar zijn de ambtenaren zonder meedenkende bestuurders?

    Kern van klimaatbeleid 2.0 is de analyse die gemaakt is in de Duurzaamheidsagenda van het kabinet:
    Duurzaamheid in samenleving
    Inmiddels zien we dat het belang van duurzame ontwikkeling leeft in de samenleving. Acht op de tien Nederlanders vinden het (heel) belangrijk dat bedrijven zich richten op duurzaamheid.6 Consumenten kopen ook meer en meer duurzame producten. Burgers opereren in toenemende mate als duurzame producenten en richten bijvoorbeeld samen lokale energiebedrijven op. Bij veel maatschappelijke organisaties, op scholen en bij kennisinstellingen staat duurzaamheid hoog op de agenda. Een toenemend aantal grote en kleine Nederlandse bedrijven geeft duurzaamheid een centrale plaats in zijn bedrijfsvoering. Oplossingen van duurzaamheidvraagstukken vormen een sterk groeiende markt en zijn al lang niet meer alleen een zaak voor de koplopers. Een groot middenveld aan bedrijven ziet de kansen van duurzaam ondernemen, ziet dat het economisch rendabel kan zijn, dat duurzaam produceren niet duurder hoeft te zijn en concurrentievoordeel kan opleveren. Succesvolle voorbeelden zijn er in overvloed. Sectoren van het Nederlands bedrijfsleven profiteren volop van duurzame keuzes. Meer nuttig gebruik van afval leidt tot groei van de recyclingsector. Agrarische ondernemers bieden met succes biologische producten aan. Het marktaandeel van chemische producten op basis van biomassa neemt toe. Dit succes van duurzame diensten en producten leidt tot verdere verbreding van de basis voor duurzaam ondernemen en consumeren. Naast de rijksoverheid spelen decentrale overheden een steeds belangrijkere rol bij het stimuleren en ondersteunen van maatschappelijke initiatieven.

    Koppelen groene groei en energieke samenleving
    Het PBL adviseert in haar Signalenrapport “de energieke samenleving” om de hiervoor geschetste ontwikkelingen aan elkaar te koppelen. Groene groei kan worden gerealiseerd door gebruik te maken van de inventiviteit, betrokkenheid en het oplossend vermogen van de hele samenleving. Het PBL noemt dit de energieke samenleving€Ÿ.
    Het kabinet erkent de waarde van een dergelijke koppeling. Het wil de basis voor duurzaamheid die in de maatschappij is gegroeid verstevigen en stimuleren zodat de dynamiek in de samenleving nog sterker wordt gericht op verduurzaming. Het kabinet onderkent daarbij het belang van kennis en competenties van consumenten, producenten, werknemers en onderwijsinstellingen op het gebied van groene groei. Het wil de mogelijkheden van dynamische, duurzame, groei bevorderen, de regelgeving benutten en met maatschappelijke partijen in overleg treden over richtinggevende lange termijndoelen.

    In de toelichting op de begroting 2012 stelt minister Schulz:

    Op het decentrale niveau hebben gemeenten, provincies en waterschappen klimaatprogrammas€™ opgesteld. Het kabinet ondersteunt deze initiatieven en stelt met de klimaatambassadeurs van de drie medeoverheden de Lokale Klimaatagenda 2011-2014 op. Deze gaat nog dit najaar naar de Tweede Kamer.

    In de agenda richt het Rijk zich vooral op het wegnemen van belemmeringen bij gemeentelijke klimaatinitiatieven. Lokale ambassadeurs mobiliseren andere gemeenten, om zo met elkaar tot een regionale aanpak te komen.
    De nationale routekaart voor het klimaat met richtjaar 2050 geeft aan hoe Nederland de komende decennia een klimaatneutrale samenleving kan realiseren. Het kabinet kiest naar eigen zeggen voor een pragmatische aanpak. Een die haalbaar en betaalbaar is en waarbij Europese en mondiale afspraken leidend zijn.

    Daarmee wordt naar mijn idee, de toon gezet:
    - De ‘energieke sameneving’ als uitgangspunt;
    - lokaal klimaatbeleid is een belangrijke pijler onder klimaataanpak;
    - decentrale energie is een essentieel thema;
    - van een lifestyle-strategie naar een aanpak die te karakteriseren is als ‘businesswise’;
    - overheid biedt de juiste condities (omstandigheden) voor succesvol ondernemen;
    - klimaatprobleem is mondiaal complex, lokaal hanteerbaar en uitvoerbaar;
    - lokale overheden zoeken meer en meer naar ‘onorthodoxe’ maatregelen;
    - de competente burger realiseert meer dan de ‘instrumentloze’ overheid;
    - proces- en systeeminnovaties geven kracht door onverwachte allianties, handelsmodellen, ondernemerskracht en
    - focus verschuift van technologische innovatie naar innovatie in kennis, circulaire economie en verschuiven verantwoordelijkheden.

    In zijn blog heeft Thijs de la Court (wethouder Lochem) al eens een mooie beschrijving gegeven van de kracht die in de lokale samenleving aanwezig is en actief wordt. Dat is niet voorbehouden aan de grote steden, maar ook aan andere gemeenschappen (dorpen, wijken, regio’s). Het is het ragfijne spel van geven en (niet-)nemen. De gemeente geeft ondersteuning waar nodig, trekt zich terug waar mogelijk en wenselijk, treedt naar buiten indien gewenst door lokale initiatiefnemers, legt contat en verbindt dus allererst mensen, dan initiatieven en pas daarna kunnen verbindingen worden gemaakt met andere spelers in het energiedomein (netbeheerder e.d.) en/of financiers (banken e.a.). De gemeente zorgt voor goede groei-omstandigheden, de juiste condities voor de energieke samenleving, die misschien alweer vervangen moet worden door de ‘ondernemende samenleving’.

    We hebben dus een idee over de ontwikkeling van klimaat 2.0 maar de aanpak die er bij hoort, de rol van de overheid (nationaal en lokaal) is nog onduidelijk, de nieuwe ondernemerskansen zijn nog beperkt in beeld (vnl lokale energiebedrijven) en de combinatie van techniek, proces en nieuwe zienswijzen is ook nog ter discussie. Kortom reden genoeg om op het Klimaatcongres van 02 november 2011 tot een goede discussie te komen.

    Ideeen genoeg overigens, al komt dat niet altijd direct tot uiting. In een gesprek dat ik vorige week voerde met een lokale Rabo-bank kwamen binnen een uur een drie-vier nieuwe businessmodellen voor hen tevoorschijn die niet alleen een nieuw verdienmodel betekenen maar ook nog een bijdrage leveren aan de lokale economie en last but not least aan de energie- en klimaatdoelstellingen die we hebben. Dat gesprek liet mij zien dat door een gezamenlijke analyse van deze vragen, nieuwe antwoorden gevonden kunnen en zullen worden.

    Om een beeld te krijgen van wat ‘klimaatbeleid 2.0′ is, zullen we tijdens een workshop op het Klimaatcongres de vragen stellen, die nu aan de orde zijn (en wellicht ook alvast wat antwoorden programmeren):
    - Wat nodig is om de klimaatambities op lange termijn waar te maken;
    - Wat anders is dan het huidige klimaatbeleid;
    - Wat eventuele randvoorwaarden zijn;
    - Wat vraagt dit van lokale overheden, maar ook van andere spelers?

    Uiteindelijk doel is een set van aanbevelingen te formuleren waar ook andere gemeenten met ambities mee aan de slag kunnen.