Resultaten IKS

Innovatieprogramma Klimaatneutrale Steden

8 gemeenten werken sinds begin 2011 aan de uitvoering van hun projecten in het kader van het Innovatieprogramma Klimaatneutrale Steden (IKS). De deelnemende gemeenten zijn: Amsterdam Zuid, Breda, Rotterdam, Tilburg, Heerhugowaard, Nijmegen, Lochem en Wageningen.

De ambitie van het IKS-programma is het experimenteren met proces- en systeeminnovaties. Uitgangspunt is dat technische innovaties veelal buiten de scope van de gemeente vallen en met name in het energiedomein volop gaande zijn in de industrie, bouw en mobiliteit. De gemeenten hebben er allemaal voor gekozen om de aanpak van het klimaat vooral te doen via energiemaatregelen. Daarbij zijn de proces- en systeeminovaties vooral:

  • nieuwe vormen van samenwerking / alliantievorming
  • versterken van burgerparticipatie, zowel individuele burgers als organisaties;
  • versterken van ondernemerschap;
  • identificeren en uitproberen van nieuwe vormen van governance;
  • ontwikkelen van financieringsmodellen en
  • versterken van autonome ontwikkelingen.

Praktisch gezien heeft dit geleid tot ondermeer:

  • oprichting Duurzame Lokale Energie Bedrijven (Lochem, Amsterdam Zuid, Wageningen en in zekere mate Tilburg);
  • doelgerichte en doelmatige concessieverlening OV en productie Groen Gas (Nijmegen);
  • grootschalige plaatsing zonne-pv op kantoren en andere bedrijfsgebouwen (Wageningen);
  • samenwerking met grondgebonden ondernemers (boeren) om tot ‘energielandschappen’ te komen (Lochem);
  • fundamentele bottom-based initiatieven/aanpak (Amsterdam, Lochem, Tilburg e.a.);
  • lokale bedrijvennetwerken die initiatiefnemers worden (Tilburg);
  • signalering technologische onvolkomenheden decentraal, opstarten experimenten: Low Voltage woning (Heerhugowaard);
  • leefstijl-gerichte communicatie (Breda);
  • inzicht in financiering/investeringsmogelijkheden (Lochem, Tilburg, Amsterdam, Heerhugowaard e.a.) en
  • signalering van insitutionele en regelgevingsbelemmeringen (Lochem, Amsterdam, Nijmegen, Tilburg, Wageningen).

Daarmee is IKS aanjager geworden van decentrale energie-aanpak (-opwekking). De oprichting van E-decentraal mag in zekere mate aan IKS-partners worden toegeschreven, alsmede de signalering dat het huidige systeem met betrekking tot saldering en zelflevering een faalfactor is.

Conditiesturing

In de gesprekken met de IKS-gemeenten wordt veel aandacht besteed aan de condities, de omstandigheden, die van invloed zijn op de kracht van autonome ontwikkelingen. Daarbij wordt bestaande regelgeving en belastingen met betrekking tot de saldering en zelflevering geidentificeerd als een falende omstandigheid. Enerzijds beperkt het particuliere initiatiefnemers in hun investeringsbereidheid en anderszijds werkt het een beperkte omvang van installaties in de hand. Overcapaciteit op het eigen dak is te weinig ‘lonend’ om te realiseren. Het gebrek aan mogelijkheden om electriciteit buiten de eigen meter om, op te wekken (bijvoorbeeld op het dak van een school of bedrijf in de buurt) is toe te schrijven aan de bestaande regelgeving met betrekking tot zelflevering. Kostprijs en verdienmarges liggen te dicht bij elkaar (of zelfs negatief) door de huidige tariefstellingen en daardoor het ontbreken van een incentive op decentrale duurzam energie.

Dit thema is inmiddels herkend en erkend bij de betrokken ministeries en de Tweede Kamer. Vanuit de IKS-ervaring is te signaleren dat het ontbreken van een goede basis, de stevige ontwikkeling in de weg staat.

Het idee dat decentrale opwek een fundamentele en relatief forse bijdrage kan leveren aan de gewenste transitie mbt duurzame energie was bij aanvang van IKS landelijk vrijwel niet erkend. Inmiddels is het tot een thema in het politieke en ambtelijke debat geworden. De IKS-gemeenten hebben daar aan bijgedragen, Lochem en Amsterdam Zuid hebben daarin een actieve rol. Tilburg speelt een rol mede doordat de wethouder (Berend de Vries) klimaatambassadeur is.

Oplossingen

De kracht van lokale innovatieve initiatieven is dat de realisatie daadwerkelijk tot stand komt. Praktische vragen worden opgelost, ruimtelijke obstakels overwonnen en waar nodig worden onorthodoxe maatregelen getroffen. Daarmee geeft de praktijk kracht aan de agendering van decentrale energie op politiek niveau. De fundamentelere oplossingen van de huidige belemmeringen in wet- en regelgeving en belastingen vragen om politieke oplossingen.

In de verschillende IKS-projecten is zichtbaar geworden dat het streven naar de klimaatneutrale gemeente bijdraagt aan versterking van de lokale economie. De eigen energie-opweking heeft niet alleen een individuele economische waarde. Er is sprake van bredere maatschappelijke kosten en baten. Ieder “Duurzaam Lokaal Energie Bedrijf” (LDEB) draagt bij aan versterking van de lokale economie. Dit inzicht heeft geleid tot de politiek-bestuurlijke vraag naar een Maatschappelijke Kosten Baten Analyse (MKBA).

De fundamentele oplossingen zijn nooit simpele oplossingen, doordat verschillende belangen spelen. Het ambtelijk proces is ook gaande, gericht op het wegnemen van belemmeringen maar weerstand komt ondermeer vanuit ‘financien’. Overigens heeft dat ook weer geleid tot discussies over het ‘verdienmodel’ voor de overheid in decentrale en duurzame energie.

Niet alleen ‘salderen’ is een belemmering in de huidige situatie maar ook blijkt de lage tariefstelling voor grootverbruikers een (onverwacht) probleem te zijn. Dat maakt de ‘rekenkundige benadering’ van grote daken voor zon moeilijk. Er is voor bedrijven vrijwel geen incentive te verwachten, door de lage tariefstelling voor grootverbruikers.

Energieke samenleving

Toen het gelijknamige rapport van het PBL verscheen, half 2011, werd het door IKS-gemeenten ervaren als een beschrijven van de processen die in hun projecten tevoorschijn komen. Waar PBL zich trendgevoelig toont, lijken de IKS-gemeenten de trend te ervaren en te zetten.

Er is veel geleerd in IKS als het gaat om het versterken van de energieke samenleving. Een nieuwe vorm van governance lijkt nodig. Dat is gebaseerd op het herkennen van de competente samenleving die op iedere plek in Nederland aanwezig is en die initiatiefnemers vertrouwen geven. Het herkennen van de competente samenleving op lokaal niveau is niet gegarandeerd leidend tot succes. Karakteristiek voor een versterkende governance is:

  • identificeren van competente burgers door te mobiliseren (bijvoorbeeld via een informatiebijeenkomst of andere werkvormen) en te inspireren;
  • ruimte bieden om de nieuwe organisatie en samenwerking op te bouwen, zowel fysiek (vergaderrruimte) als financieel (onkosten dekken) als mentaal (door te werken als ‘meewerkend voorman’ en kennis beschikbaar te stellen);
  • richting geven is een belangrijke bijdrage vanuit de lokale bestuurders. Zij zien het lange termijn perspectief, kennen de klimaatdoelstellingen en geven daarmee een stevige koers. Daarbij is duidelijk geworden, in de projecten in Lochem, Amsterdam Zuid en Wageningen, dat richting geven niet verward mag worden met sturing. Er is een directe relatie tussen het sterke gevoel van autonomie bij burgers en bedrijven en het richtinggeven versus een afwachtende houding bij een meer directieve houding van bestuur en ambtelijke uitvoerders.
  • Vernieuwing speelt een belangrijke rol. Ook de gemeente is een organisatie uit het ‘verleden’, dat wil zeggen dat procedures, regelingen en besluitvorming aan regels gebonden zijn. Dat alles loslaten en in een andere richting sturen is lastig voor gemeenten. Interne processen werken dan vaak tegen (Amsterdam, Lochem). In deze gemeenten is getracht om te werken vanuit het idee van ‘positieve discriminatie’ als vorm van experiment: proceduretijd verkorten, flexibiliteit versterken: onorthodoxe maatregelen als kern voor nieuwe rol. Hoezo europees aanbesteden als het plan van cooperatie is tussen burgers, bedrijven en overheid? Naar binnen toe is durf ontwikkeld om nieuwe procedures af te dwingen (Tilburg).
  • Flexibiliteit kenmerkend voor IKS. Intern, bij gemeenten, vergunnngen en financieen benaderen vanuit flexibiliteit, wordt ook moeilijk als het gaat om verantwoording aan de gemeenteraad, die veelal SMART opereren. Het zoeken naar ruimte is dan aan de orde. Het vraagt open gesprekken met de ‘remmers in vaste dienst’ en controllers (raad). Dat is een beweging die nu komt. Deze benadering vraagt ook vakmanschap in programmasturing (Tilburg).
  • Procesmatige benadering is kenmerkend voor de IKS-aanpak. De mooie combinatie van harde doelen (opwekking) en procesaanpak (relatief soft), botst ook regelmatig met verwachtingen van partijen. Het is een combinatie van de technologische ontwikkeling en de sociologische aspecten en die combinatie blijkt moeilijk in praktijk. Bestuurder moet resultaat zien/leveren: wat wordt het? Zon of wind? Vertrouwen is hierbij vaak het issue (Lochem, Amsterdam, Tilburg). Overigens blijkt in de IKS-projecten dat het een misvatting is dat een procesaanpak niet-resultaatgericht zou zijn: alleen het kunnen andere resultaten zijn dan gedacht. De IKS-projecten laten zien dat er ook een afweging moet zijn van vertrouwen in partners: daadkracht, doorzettingskracht, technische kwaliteit initiatiefnemers speelt een rol. Overigens signaleren de gemeenten ook dat niet ieder resultaat goed hoeft te zijn, in die zin hoort het leren ‘nee’ zeggen er ook bij;
  • be supportive’ is een belangrijke eigenschap van de gemeente gebleken. Dat impliceert gebruik van gemeentelijke faciliteiten, beschikbaar stellen van kennis, steun bij procedures en als volwaardige partner op te treden voor iniatiefnemers als het gaat om contacten met grote spelers in het spel: banken, energiebedrijven, institutionele investeerders e.d.
  • podium bieden hoort hier zeker bij. Zowel in poltitieke zin door regelmatig contact te organiseren met de lokale politiek en initiatiefnemers. Daarnaast is de steun van de gemeente een zeker garantie/keurmerk voor burgers en organisaties/bedrijven voor de betrouwbaarheid vn dergelijke nieuwe burgerinitiatieven.
  • coöperatief organiseren is een sterk element in de ontstane initiatieven van burgers en bedrijven. De duurzame lokale energiebedrijven die ontstaan hebben veelal een coöperatief karakter.

Niet alles is even soepel gegaan. Er blijkt in enkele gevallen een spanning te zijn tussen de ‘traditionele’ opvattingen over de verhouding bestuur-burger. Daar waar de burger slechts ‘draagvlak’ mag leveren ontstaat argwaan, afstand en afwijzing (triple-A). De burger zet zijn hakken in het zand, negeert of voelt zich slecht geïnformeerd. Dit is geconstateerd bij in ieder geval één project. De uitvoering van IKS werd belegd in een stuurgroep waarin instituties met belangen in het betrokken gebied of een inhoudelijke (eigen-) belang de beslissingen gaan nemen. Dat leidde inderdaad tot de nodige fricties, die pas kort geleden zijn benoemd en nu voor een hernieuwde aanpak een basis legt. De spanning tussen institutionele aansturing en het activeren van de energieke samenleving werd duidelijk.

leerzame ‘mislukkingen’

Hoewel het woord ‘mislukking’ hier niet al te letterlijk moet worden genomen, is er wel een aantal leerpunten te benoemen die voortkomen uit veranderende omstandigheden. De belangrijkste:

  • stagnerende verkopen bij nieuwbouwprojecten, vragen fundamentele heroverwegingen van de aanpak. Intensivering van communicatie is de primaire reflex maar leidt slechts tot minimale beweging in de markt. Nieuwe concepten als gebruik in plaats van eigendom of het realiseren en aanbieden van woondiensten, vraagt een systeeminnovatie die voor individuele gemeenten lastig te realiseren is. Men kan (nog) niet terugvallen op ‘casebased’ ervaringen (o.a. Heerhugowaard);
  • de spanning tussen institutionele belangen en bottom-based benadering is voor burgers moeilijk te doorgronden noch werkelijk aan te pakken. Hier past een nieuwe visie op de rol van de gemeente (o.a. Rotterdam-Heijplaat);
  • innoveren is lastig. Allereerst al het signaleren van de noodzaak tot technische-, proces- of systeeminnovaties. Dat vraagt een vorm van reflectie op stagnerende ontwikkelingen die gekarakteriseerd kan worden als ‘reflexief’ en ‘out-of-the-box-denken’. De waarde van externe coaching en reflectie is dan groot en verhoogt de kans op doorbraken in denken en doen (o.a. Wageningen en Heerhugowaard);
  • bottombased werken, gebaseerd op een werkwijze die gekarakteriseerd kan worden als een ‘grassroots’ benadering, vraagt veel tijd en capaciteit. Hierbij is een professionele procesbegeleiding wenselijk om van praten en denken naar doen te komen (o.a. Amsterdam Zuid en Lochem). Ook vraagt het een bestuurlijke ‘houding’ die uitgaat van vertrouwen in de competente samenleving. Terughoudendheid in sturing en organisatie van bestuur en gemeentelijke apparaat is daarbij van grote waarde gebleken (Lochem). Het belangrijkste leerpunt daarbij is: Stel de eindgebruiker centraal, dan kristalliseren belangen zich wel uit en participeren allen beter. En
  • De diversiteit van lokale initiatieven maakt grootschaligheid in de lokale aanpak moeilijk (o.a. Lochem, Tilburg en Amsterdam Zuid).

leerpunten innovatie

Op het domein van IKS, de proces- en systeeminnovaties, zijn belangrijke stappen gezet. Een specifieke analyse zal nog plaats vinden (o.a. door PBL) en in de rapportages van de gemeenten worden deze punten uitgebreid toegelicht. In de procesinnovatie gaat het vooral om nieuwe vormen van samenwerking en de vorming van nieuwe allianties. De systeeminnovaties liggen in nieuwe perspectieven op de aanpak op lange termijn. De gesignaleerde, doorsnijdende, innovaties:

  • Marktsturing als publieke interventie: in Nijmegen is de concessieverlening OV benut om tot een marktvraag naar Groen Gas te komen. Dat is een relatieve zekerheid voor producenten van Groen Gas in de regio die investeringen moeten doen om tot opwekking te komen. Nijmegen heeft een systematiek ontwikkeld die dit mogelijk maakte, zodat een zichzelf-versterkende ontwikkeling op gang is gebracht;
  • Marktordening als publieke interventie: in Tilburg zijn forse stappen gezet in het publiek-privaat organiseren van de energie- en klimaataanpak. Van servicebureau voor individuele burgers en ondernemers tot organisatie van samenwerking in verschillende gremia. De gemeente treedt op als initiator, bedrijvennetwerken nemen vervolgens de verantwoordelijkheid en sturing over. Het ‘klimaatschap’ is de werktitel, die goed aangeeft dat corporatieve structuren kunnen en zullen ontstaan, zeker als vanuit het publieke belang door de gemeente facilitering wordt geregeld;
  • marktontwikkeling als (semi-)publieke interventie: de ambitie om ‘zonnestad’ te worden met gebruik van daken van bedrijven, instituten en publieke instellingen werkt als er een semi-publiek orgaan is waarin alle partijen een stem hebben of kunnen krijgen. Door bundeling van kracht kan inkoop geregeld worden, door bundeling van kennis kunnen nieuwe projecten snel gerealiseerd worden. In Wageningen is hier ervaring mee opgedaan. Daarbij komen belemmeringen in ontwikkeling ook snel en zichtbaar naar voren. Die oplossen door innovatieve en bestuurlijke interventies blijkt een moeilijk terrein te zijn. Dat vraagt innovatief vermogen van de partners;
  • marktsupport als publieke interventie is van grote waarde gebleken. Initiatiefnemers op lokaal niveau kennen in aanvang een relatief lage organisatiegraad en hebben geen ‘trackrecord’ waar het gaat om investeren en realiseren. De gemeente kan hierbij de stabiele factor zijn die gesprekspartners een zekere garantie geeft op resultaat. Institutionele gesprekspartners (investeerders, netwerkbeheerders e.a.) maar ook burgers hechten hier veel waarde aan (Tilburg, Lochem, Wageningen, Amsterdam Zuid);
  • awareness vanuit publieke domein heeft een zekere mate van objectiviteit. Gebleken is dat aanhaken in de communicatie bij karakteristieken van groepen, helpt. Daarmee wordt een herkenbaarheid bij bestaande leefstijlen gevonden. Kracht van ontmoetingen wordt steeds sterker en de publieke belangstelling groeit (Breda, Lochem, Amsterdam Zuid).

Door de IKS gemeenten is een aantal wezenlijke kantelpunten geidentificeerd: schep de condities, is hierbij als hoofdpunt genoemd. Ondermeer door het opheffen van het verschil tussen groot- en kleinverbruikers. Lokaal blijkt er een grote groep kleine grootverbruikers (huis met zwembad, MKB etc) te bestaan. Dat zou een prioritaire groep kunnen zijn maar de gemeenten signaleren dat voor deze groep een incentive ontbreekt. Ook al omdat geen groene voorwaarde aan de grootverbruikersvoorwaarden verbonden is.

kennisoverdracht

In de IKS projecten is veel aandacht gegeven aan kennisoverdracht. De initiatieven verschillen, maar op hoofdlijn zijn de volgende elementen zichtbaar:

  • peer to peer communicatie en leren is het krachtigst gebleken. Gemeenten met vergelijkbare ambities vinden de acht IKS gemeenten om de opgebouwde ervaringen te benutten. Deze informele vormen van kennisoverdracht zijn tevens de belangrijkste gebleken. Dankzij de IKS-financiering zijn de acht gemeenten in staat geweest om vele vragen, werkbezoeken, themabijeenkomsten en dergelijke te doen. Essentieel is de koploperspositie die de IKS gemeenten hebben kunnen realiseren dankzij IKS financiering. Er lijkt sprake van een ‘factor 10’ effect: de acht gemeenten hebben ieder minimaal 10 gemeenten versterkt in hun aanpak door een gerichte kennisoverdracht. Dit effect van IKS maakt dat zeker 80 gemeenten actief gebruik hebben kunnen maken van de innovaties in de acht gemeenten;
  • instrumenten die zijn ontwikkeld in IKS-projecten, worden actief gedeeld met partnergemeenten en regio’s. Rekenmodellen, organisatie-doorbraken, analyses (o.a. actief inzetten duurzaam inkopen) zijn beschikbaar voor anderen via websites of direct contact. In de landelijke netwerken en -communicatie is dit bekend en voor vele gemeenten een hulpmiddel om tot versnelde uitvoer te komen (Wageningen, Amsterdam Zuid, Nijmegen);
  • regionale kennisdeling vindt in vrijwel alle projecten actief plaats. Ambtelijk en bestuurlijk in regionale samenwerkingsfora (Heerhugowaard, Amsterdam Zuid, Wageningen, Lochem) en enkele projecten hebben regionaal facilitering ingericht voor collega-gemeenten (Tilburg, Nijmegen). Dit proces leidt tot autonome ontwikkeling op regionaal niveau, waarbij elementen in gezamenlijkheid worden opgepakt.
  • (nieuwe) media worden door de gemeenten actief ingezet om bij te dragen aan de kennisoverdracht. Publiciteit is gezocht in publieksgerichte media, maar ook in vakbladen. De websites vormen in een aantal gevallen een bron van inspiratie en ervaringen voor andere gemeenten (Wageningen, Nijmegen).

signalering

Op basis van de gemeenschappelijke ervaringen en discussies van de IKS-gemeenten is een aantal thema’s te benoemen die aandacht vragen en wellicht een omslag. Het zijn aanbevelingen aan het Rijk. De wezenlijke kantelpunten voor de klimaat- en energietransitie in Nederland, groot en klein:

* opheffen split incentive

Split incentive staat voor het verschijnsel dat de ‘opbrengst’ niet bij de ‘investeerder’ terecht komt. Dat geldt zowel voor utiliteits-bouw als woningbouw (huursector). Het staat ook voor het wegnemen van ‘perverse koppelingen’ die een systematische aanpak in de weg staan. Door dergelijke ‘perverse koppelingen’  aan te pakken, ontstaat een beweging die zichzelf stuurt omdat er voor de initiatiefnemer(-s) een directe incentive verbonden is aan de investering.

* van efficiency gericht beleid naar beleid gericht op effectief&efficient (koppeling)

Efficiency is het isoleren van gebouwen, spaarlampen of het beroep doen op gebruikersgedrag. Effectief is de (eigen) opwekking van schone energie. Zodra er sprake is van een coöperatief verband waarbij de gebruiker ook eigenaar is, zal het streven naar efficient gebruik ook een impuls krijgen (Hollandse koopmansgeest: hoe minder je zelf gebruikt hoe meer je kunt verkopen). Dan gaan effectiviteit en efficiency hand in hand. De IKS-gemeenten doen hier veel ervaring mee op en stimuleren coöperatieve energie bedrijven.

* realiseren van saldering en zelflevering

Door de IKS gemeenten ruim geagendeerd, zowel bij de ministeries als politiek (TK) als in het maatschappelijk debat. Ook zijn voorstellen tot Green Deals voorgelegd waarin IKS-projecten de primaire partner of participant zijn. Vanuit IKS is daarbij zichtbaar geworden dat de economische impact groot is. Dat is niet alleen in het energiedomein, maar door nieuwe/veranderende geldstromen ook in andere domeinen. Een brede maatschappelijke, economische, analyse zal laten zien dat de verdieneffecten veel verder gaan. De IKS gemeenten dragen bij aan de vraagstelling en vorm die een dergelijke Maatschappelijk Kosten Baten Analyse (MKBA) kan krijgen.

*versterken van investering in nieuwe technologie:  

In IKS projecten wordt veelal gewerkt met bekende, bestaande, technologie. Tegelijkertijd wordt zichtbaar dat deze bestaande technieken veelal zijn gebaseerd op ‘oude’ inzichten. Technologische innovaties als low-voltage, gelijkstroom, opslag en nieuwe vormen van opwekking als ‘diepe geothermie’ zijn nodig om echte doorbraken te realiseren.

  • Kapitaalsinvesteringen blijven hangen door risicoperceptie

De IKS-projecten merken dagelijks deze perceptie bij institutionele investeerders als de pensioenfondsen. Garantstellingen helpen, continuiteit in beleid helpt evenals opschaling van coöperatieve samenwerking. Dit vraagt innovatieve ontwikkelingen in governance and finance.

  • Inzetten op de human resources, competenties en vaardigheden

Het werken vanuit proces- en systeeminnovaties en de daarbij horende nieuwe aanpakken, vragen nieuwe competenties die de energieke samenleving versterken. Het gaat daarbij om inrichten van coöperaties, nieuwe financieringsvormen, kennis en inzicht in de energiemarkt en analytisch vermogen om energiepotentieel op lokaal niveau te herkennen en tot ontwikkeling te brengen.

  • Nog een doorbraak die nodig is: bouwen zonder gebruiksaanwijzing

De technieken die gebruikt worden domineren het energiesysteem, zien de IKS-gemeenten. De installateur doet goede zaken en ‘wij’  moeten de gebruiker leren op welke wijze zij er mee om moeten gaan. Dit komt uit vele monitoringsonderzoeken tevoorschijn: het gedrag van de gebruiker is niet in balans met de mogelijkheden van de installaties. Nu is de vraag op welke wijze gebruikers-proof gebouwd kan worden: de eerste bewoner/gebruiker is slechts de eerste. Gemiddeld zullen 5-7 mutaties plaatsvinden voor de eerste grootschalige renovatie plaatsvindt. Dan moet dus 5-7x die gebruikersinstructie plaatsvinden. Dat kan beter. Of door natuurlijke processen te benutten (inspelen op menselijke reflexen), door betere en kortere feedbackloops te gebruiken of door regel-arme installaties/gebouwen te maken. Het resultaat is dan: bouwen zonder gebruiksaanwijzing voor de gebruiker/bewoner.

IKS afgerond, maar niet afgelopen

Argumenten voor doorgaan met een nieuw Innovatieprogramma Klimaatneutrale Steden:

  • als je wilt dat ‘gedrag’ verandert bij gemeenten en anderen, dat is consistentie belangrijk, het signaal dat proces- en systeeminnovatie belangrijk is (I&M)
  • Instrument van bestuurlijke vernieuwing: je nodigt uit tot ‘hersengymnastiek’ om nieuwe oplossingen te creeren: het helpt; (I&M)

 

Opgesteld door

Douwe Jan Joustra

One Planet Architecture institute

Coach IKS projecten 2011 / 2012

 

gebaseerd op signalen en inzichten die tevoorschijn zijn gekomen in de coachingsgesprekken met de acht IKS gemeenten in 2011/2012



De Olympische aanpak

Tussen droom en daad, staat de werkelijkheid. Dat karakteriseert de discussie die we op de laatste dag van de Olympische Spelen in Londen, voerden met een groep van zo’n 70 inspirerende denkers, doeners en sporters. Een bijzondere combinatie van wetenschappers, ondernemers, ambtenaren, sporters en anderen. Op initiatief van het Rijk, dat een sterke rol ziet voor zichzelf. We zoeken de weg die kan leiden tot een succesvol ‘bid’ ergens rond 2020, voor de spelen in 2028.

Het lijkt een ‘Big Hairy Goal‘: het voelt goed, knuffelbaar, we hebben nog weinig misverstanden en de energie stroomt volop. Toch zit er ook wel wrijving onder de oppervlakte. Sprekers die het hebben over versnippering in plaats van de waarde van diversiteit. Ook in de discussies zit het nodige. Zo wordt de burger nog al eens genoemd en niet altijd als een bron van inspiratie en vol competenties. Not in my Backyard (NIMBY) is een gevreesd verschijnsel. Gelukkig ging het al snel over de vraag hoe dat kan omdraaien naar het uitgangspunt ‘In everybodies Backyard’ (IEBY) of zelfs PIMBY (Please in my Backyard)? Iedere burger zal begrijpen dat er een Olympisch Plan zal moeten komen, waarbij niet iedereen een actieve rol kan of zal spelen. Zestien miljoen bondscoaches begrijpen tenslotte ook wel dat er maar één echte bondscoach is. Maar als er dan vervolgens wordt gesproken over ‘draagvlak‘, dan begint de rechtgeaarde Nederlander al attent te worden: kennelijk is er iets gaande dat omstreden is…
Natuurlijk is er ook nu al veel weerstand, om een drietal redenen voor zover ik kan nagaan. Over alle drie geef ik graag een mening:
  1. Het kost geld, veel geld: dat is natuurlijk zo. Maar dat wil niet zeggen dat het allemaal ons spaargeld is of weggegooid geld. Laat ik er een paar, wellicht relativerende, opmerkingen over maken. Allereerst is het zo, dat waar veel geld stroomt er ook veel gerealiseerd moet worden en dat betekent “werk” voor velen. Ten tweede is het voor een groot deel ook investeren in blijvende zaken, die ons ten goede komen op lange termijn (in 1928 was dat de ring die we nog steeds gebruiken rond Amsterdam, in 2028 welllicht de vaste oeververbinding tussen Amsterdam en Almere of de bebouwing van de Rotterdamse Stadshavens). Ten derde krijgen we een evenement waar we nog decennia trots op kunnen zijn, zeker als we het ‘the Dutch way’ kunnen doen. Overigens staan er ook heel behoorlijke inkomsten tegenover.
  2. Nederland is al vol en het nieuwe is geen garantie voor beter: ook dat is natuurlijk allebei in zekere zin waar. Maar we kunnen veel doen op tijdelijke basis, een paar weken wat voller is niet heel erg, dat kunnen we wel aan. Het vraagt natuurlijk zorgvuldige ontwerpen, creatieve oplossingen en laat dat nu een kracht van ons land zijn. Natuurlijk moet het nieuwe ook waarde toevoegen aan het bestaande. Dat is een principe uit de Cradle to Cradle benadering die ook al is toegepast in de wereldtentoonstelling, de Floriade, en zal over 10-16 jaar nog veel beter tot zijn recht kunnen komen. Het nieuwe is gegarandeerd beter dan het bestaande, lijkt mij de opgave die we aankunnen en aan willen gaan.
  3. Het is een speeltje voor mensen die het toch al goed hebben: tja, die vervelende topsporters? Of de bobo’s van IOC of NOC? Of …? Natuurlijk gaat het hier niet over een noodsituatie die offers vraagt van iedereen. De vraag is of we hier moeten spreken over offers, het gaat hier om een aanpak die goed is voor de ‘jeugd van tegenwoordig’, zij zijn de sporters van 2028! Daar kunnen we nu al aan werken en ook de vruchten van plukken. Iedere sportvereniging kan een Olympische uitstraling krijgen, ook nu al! En die bobo’s? Tja die maken het ook voor een belangrijk deel mogelijk dat de Olympische Spelen zijn uitgegroeid tot het belangrijkste sportevenement voor sporters, kijkers, professionals en eigenlijk voor ons allemaal. Het volk wil brood en spelen, is de spreekwijze. Het brood hebben we, de spelen kunnen we verdienen.
Tijdens de genoemde bijeenkomst gaf ik de Elfstedentocht als voorbeeld. Ook omdat dat een tijdelijk iets is, waar de kracht van de Nederlander zichtbaar wordt. 16000 sporters hebben ineens onderdak of vervoer naar het startpunt, honderdduizenden vinden hun weg naar het parcours en het is een groot feest dat deskundig in beeld wordt gebracht. De tijdelijkheid wordt alleen doorbroken door de brug bij Bartlehiem, die kunt u vandaag ook bekijken.
OPAi heeft het initiatief genomen om te komen tot een “New Olympics Incubator”, de broedplaats waar we innovaties ontwikkelen, advies geven aan maatschappeljke organisaties en overheden of bedrijven. Natuurlijk hanteren we daarbij een paar uitgangspunten, die u vast niet zullen verrassen:
- werk met de ‘energieke samenleving’, mensen maken het verschil;
- gebruik energie van de zon;
- werk met hernieuwbare of herbruikbare grondstoffen;
- kies voor de circulaire economie als basis;
- voeg waarde toe aan het bestaande en
- geniet van diversiteit en versterk het.
Daarmee kunnen we de mooiste ontwerpuitdaging aanpakken die er in het verschiet ligt voor Nederland, dat kunnen we, dat willen we (hopelijk) en wie weet, mogen we het ook daadwerkelijk gaan doen!

Circular Economy basics

At the moment we (OPAi) do quite some presentations on the Circular Economy. We do like to share some of the reactions we see and get on the issues of realisation and implementation of the Circular Economy.

Thomas Rau is well known because of his intense, creative and often unexpected vision on changes that we see. Is it about energy or resources? What can we expect to see in the near future in the economy? The development of TurnToo gives him a very good businesscase and an interesting example to see how the Circular Economy works for an entrepreneur. What happens to his public is great to observe. In some keywords:

acknowledgement: almost everybody understands that there is a resource-issue in the world;

astonishment: since not all see immediately that we do not have an energyproblem, since all were educated with the idea of an energycrisis somewhere ahead in time;

curiousity: on understanding his line of thinking that brings some major shifts in the economy: performance based transactions;

insecurity: when the audience starts to understand that he is serious about changing ownership in ‘usership’;

enthousiasm:  as soon as people see the new perspective for home, for business, for education and policies.

It results in many questions and these questions help us to  think and rethink the way we work. That is almost the most exciting of it: everyday we, at OPAi, see the impact of the approach that is the fundament of TurnToo and the Circular Economy.

Douwe Jan Joustra focusses on the systemsapproach that is the fundament of the Circular Economy. In his presentations some key-elements are basic. Douwe Jan sees three fundamental spheres that give a real understanding of the Circular Economy: ecology (symbiotic relations and closed loops), thermo-dynamics (entropy) and biology (the 3.5 blj years of innovation). This leads to the Circular Economy that has clear feedbackloops and handles the externalities. The public has a little different reactions:

accelarated learning: as the listeners start to grasp that for most of them old knowledge is coming alive. Knowledge that we gained during science classes at school, now becomes functional;

recognition: in different steps in the group: some see it instantly, others look for the real meaning;

reluctance: in accepting that we need a new perspective on the economy, sustainability and the way we have to adjust our actual systems and the difficulties that the listeners see;

change of mind: is what most listeners encounter during the examples, the circular character and the appeal to human intellect that he gives;

openess to change is what happens in the end, people start seeing the possibilities of the circular economy, the need of ‘learning by nature’ and the first ideas for changes in (own) businesscases starts.

This brings questions and discussions. We at OPAi like that. For instance: is the circular economy a self steering system? Do we need much steering by governments? Are the feedbackloops indeed so well that all (companies) will feel the consequences of their actions? We think so, but we need more and more casebased evidence to anwer these questions. The first examp[les show us that the circular economy enhances:

  • energy-efficiency;
  • product innovation;
  • cradle to cradle in companies
  • profit for the companies.

Working on the realisation of the circular economy is thrilling, creative and a strong step forward on creation of a sustainable economic system. The One Planet Architecture institute supports the change where ever we can. Want advice or support? Contact us!

Hybrid, signs of a soft revolution?

Circular Economy, the sequel part 2

When I made a tweet on: ‘is it bottom-up or do we need to talk about bottom-based?’, it brought some interesting reflections. In the Netherlands we characterize the change as the “Energetic Society”. People, individuals are not waiting anymore for initiatives by governments or companies, they start their own cooperative company on car-sharing, care, maintenance, energy-suply and other issues. It is the joint feeling of independency that is a hughe driver for these initiatives. Be independent from large companies, like the energy-companies, be independent from unreliable partners (f.i natural gaz supply from Russia) and being independent of the large financial system, that seems to be the collective feeling that brings people together.

Those, mostly local, initiatives strive for self-sufficiency but now they still need the national grid for continious energy-supply and that is the same in many domains. So organize locally, use national partners: it has characteristics of an hybrid situation.

What’s so special on these hybrid situations? Well, they are a sign of change and change needs to outgrow the old system and needs to grow to a mature new system. Let me explain a bit more:

The dominant system in energy is a centralized system: powerplants, national grids and so on. It has advantages: low prices based on scale, reliability and continious quality. It also has disadvantages: dependency, centralized price mechanisms, strongly based on traditional resources (fossil fuels) and uncontrollability for the individual customer.

The new system can be characterized as a decentralized system. This also has some advantages: local producers of energy (sun, wind, geothermal and bio), client as partner in production and consumption, local grids, autonomy. Ofcourse there are also some disadvantages: maintaining continuity in supply, need of new organisation-models and gaining the right quantities in supply.

The actual system is a hybrid solution: use the advantages of both systems, deminishing the disadvantages. One could say that it is like the change in ships: steamvessels (new) with sails (old) in the 19th and early 20th century. By the way: we see this change nowadays appearing again. In the energysystem we see the same movement: from local energyfactories in the early 20th century to a completely centralised system in the early days of the 21th century and now we turn this around again.

The hybrid situation is part of the transition: we use the good elements of the old system to compensate the first failures of the new system. It is all about reliability.

So when a change is dawning from the actual linear economy to a circular economy, we tend to look for hybrid solutions. In the Netherlands there are initiatives to create a ‘Resources Roundabout’. That sounds circular and it has the intention to be the basis of a circular system but we organise it as a new solution for the failures of the ‘old’ linear economy. The name says it already: roundabouts are not intended to change the system of logistics in trafficmanagement, it is just a solution for the vulnerability of the crossroads of lines, roads. It helps traffic streaming more efficiently and safe. Not bad but also not a fundamental change. Maybe in the long term it will evolve or adapt to the new circular system.

The most difficult part of such a transition, from linear to circular, is to find the new ways of wheeling and dealing. What’s new? We see some initatiatives that found a new way: forget ownership of the customer, pay for performance, (collective) ownership of resources, growing attention on services etc. We will need to find more and fundamental solutions in the new, circular, system. That’s what we at OPAi are working on these days: new businessmodels, new valuecreation, new systems solutions and help/advise on implementing of the new, circular, economy in businesses and organisations/institutes.

For the moment we see a lot of hybrid solutions. Don’t worry, that’s a good thing: the existing has value, new values need to be developed and such a transition doesn’t need to be a deadly revolution, better might be the evolutionairy road. I would say, we need a revolutionair evolution. Why revolutionary? Because we need speed. Speed in innovation, new businessmodels, new economic values, new contracts and everything that is part of the new circular economy.

Circular economy, the sequel

In my latest blog I elaborated some insights on the Circular Economy, let’s say some of it’s principles. This brought on the next question by Helene Finidori in the ongoing discussion on ‘revolutionary thinking on economics’ (linkedIn Group: Systems Thinking World):

“Douwe, thanks your blog. How do you see the circular aspect of finance? And the governance of “resources [as] a common good. So a “fee for use” can be introduced. This brings interesting options for financing.” I think that if we manage to express the circular economy (with its idea of replenishment if this idea does exist in your perspective, you do not mention it in your article) in a way that encompasses the finance and commons aspect of it, we will have progressed a bit… In other words, how can you describe the circular economy in a way that it fits the transition?”

This, and some other comments, made me think on these issues: how does the valuechain get it’s fundaments? Also the question on how to percieve the notions of Good and Bad came forward.

Since my focus is that  the circular economy must be seen from a systems perspective, I would suggest to skip the notion of ‘good’ and ‘bad’. These are used far to often in the sustainability debates , making it to a ‘moral’ issue. Nature and systems do not know the concept of morality, we, humans, tend to overcompensate this: we do know these morality-concepts and exagerate the use of them. Still it are notions that help ‘us’ to see what is better or worse. So a few elaborations on these issues:

Let’s start to look again to the feedbackloops in the Circular Economy and the fundamental changes they bring:

- change of ownership from consumer to producer gives a short feedbackloop. The products with poisones materials come back in their own system, products not fit for disassembly come back and bring loss of valuable resources: so innovation is to be preferred because of selfinterest for the producers;

- agreements based on product-service combinations (=performance) show the producer directly where they can anhance the quality of performance, the benefit is there immediately (as Philips saw at our office and they changed/re-arranged the lightconcept: 60% efficiency in use of electricity was achieved without loss of performance: Philips benefits, because they have less costs on electricity);

- resources keep their economic value based on the day-value of achievement: when the producers is able to use them fit for re-use, the value is kept. This is a direct value for the producer and a strong feedbackloop.

There must be more examples. But I hope that I made my point: the circular economy has more systems characteristics than the ‘old’ linear economy. That is why discussions on the linear economy focus on achieving efficiency (making things a bit better) and become very difficult. The circular economy is based on a systemsperspective, is a fundamental change (transition) and has hughe incentives for as well the producers as for the users (former: consumers).

Bad: non-efficient and non-effective, as Michael Braungart of Cradle to Cradle characterizes it. This is where we need laws and regulations, to safeguard a healthy life for all. This is not different in a linear or circular economy. This is the role of governments, our common guardian: though in many places around the world they seem to have another agenda…

good: not just efficient (because efficient is ‘less bad’), but we need to strive for effectiveness. This fits to the general definition of ‘good’: “any benefit, increase in resources, possibilities and outcomes that do not generate an externalized bad or harm”. I would say even stronger: outcomes that are benificial for healt of all people and ecology.

The externalized costs should be part of the responsability that producers have, maybe just a new meaning of the ‘polluter pays’ principle. That could be a change in governance: taxes on declining of value.

Perpetual growth? Yes, we will see growth, at least in quality of life and performance of products. The question is whether it will take more, more and more virgin resources/materials. Products have an increasing shorter lifetime of use: the old telephone worked for 40 years or more, nowadays we strive for the newest phone as soon as it is marketed with new gadgets/apps. Is this a bad thing? Yes, as long as the producers don’t care about design for disassembly and even don’t have an interest in your ‘old’ phone: why does Apple not use a TurnToo way of trading? see www.turntoo.com. If they would, it will just be energy and labour as basics for the new product: both no problem. No problem? No, energy is around in overwhelming amounts, thanks to the Sun and we like to see people have labour.  So, growth will be there in terms of quality at least for the western markets and partly for the emerging markets in the BRIC-countries. The real developing economies will tend to ‘classical‘ growth, I assume. This brings the question: can we stop growth? or Do we want to stop growth? I would say that, just like in nature, mankind will keep striving for more diversity and quality of life. Are we able to adjust this proces from quantity-oriented to quality-oriented? As we know from natural processes growth will mean quantity before quality (diversity/resilience) comes in.

Does this give an answer to the stated issues? No, not really, because we (or maybe just me) are just starting to grasp what the transition to a circular economy really means. Let’s keep the discussions going!! We need to learn much, much more!

for some background publications, see:
www.circulareconomy.com

The Circular change

We face a real transition in the economic system: from the actual ‘linear’ to a ‘circular’ system.  That brings some different needs for enhancing the change. We could wait and see, but we know from the transitiontheory that you can speed up the process, through transitionmanagement.  The change has to take place on all kinds of levels: as well as scale levels, as organisational levels. The real question is: “what do we need for speeding up this transition?” A far too complex question for one clear answer. We will need new businessmodels, new concepts of ownership, new models of value creation, new perspectives on clients and the provided performances. OPAi cooperates with the Ellen MacArthur Foundation. They did excellent work on idea-development, educational materials and insights and real fundamental analysis of the possibilities and future impact of the circular economy on the European economy. Their report ‘Towards a Circular Economy’ can be found here: http://www.thecirculareconomy.org/

Another good source of information on strategies for the Circular Economy is the report made by the Aldersgate Group, find it here: http://www.aldersgategroup.org.uk/reports It is called ‘Resilience in the Round, seizing the growth opportunities for the Circular Economy’. It was presented at the Base conference 2012 in London on the 21th june 2012. Our managing partner, Douwe Jan Joustra, presented there, on behalf of the Ellen MacArthur Foundation, his vision on the basics and governance of the Circular Economy. His slides can be found here: http://prezi.com/iot7wycrgvtp/basics-and-governance-of-the-circular-economy/ 

Ofcourse we learn on a daily basis of the activities in the market of TurnToo, the circular businessmodel that OPAi-partner Thomas Rau, developed and is executing right now. For some backgrounds on this company, see www.turntoo.com

This brings us to some thoughts on the circular economy that we like to share. Since we teamed up with the Ellen MacArthur Foundation and the Aldersgate Group, some of their insights are used also. Our principles are:

Rethink the quality of nature: use and re-use of nutrients and materials;

Rethink the financials of use of resources, all materials are used temporarely;

Rethink our energy need and supply: use the Solar-incoming energy, wind and geothermal;

Value the quality of diversity as basic element for resilience;

Redesign our economic perspective (i.g. ownership) for a performance based perspective (i.g. useability: the ‘new ownership’)

Redesign activities and products (design for disassembly)

Experiment, explore, and accept insecure results.

This brings 8 new ways of working around, that we are facing these days:

1. Design new (performancebased) businesscases that work on the essentials of the Circular Economy. It needs new perspectives but also new skills for professionals at all levels in organisations. Rethinking the relation between producer and consumer (as well private as businesses) is a creative process that needs some thinking in a counterintuitive way, or out-of-the-box. OPAi has the instruments and methodology to do this with interested clients. Also we provide, together with Greenbizz Startup, a 4 day workshop on the principles of the Circular Economy, Businessmodels and creation of Service design in relation to resource management, client relations and performancebased solutions.

2. Learning by Nature is a state of mind and a smart way to find designprinciples for (new) business and products. We see that the knowledge of fundamental principles of nature are not used on a daily basis, maybe some biomimicry (learn functional from biology). There is more: ecology on relationship and patterns, Thermodynamics on energy and ‘matter’. For a systemic way of looking at organisations, products, logistics and societal arrangements (for instance: cities);

3. Financing and rethinking values new businesscases bring new financial arrangements. For the Circular Economy the service-agreements between producer and user are key. There is more to that. New financial arrangements are also needed for the performancebased use of resources. We envision startegies that make resources a common good. So a “fee for use” can be introduced. This brings interesting options for financing.

4. Systems change and provide us with completely new perspectives on housing and offices in the building sector, as well for renovation as for new buildings. Also on office-use and comfortable living we see fundamental changes. New businesses like Car2Go, the Coffee Company, Seats2Meet, Washing and more can be seen as the frontrunners that acknowledge that new ways of business are based on providing service and performance. How to change your business?

5. Educate, Educate, Educate is an important aspect of our ork now a days. We have a close cooperation with the Ellen MacArthur Foundation and we do lectures for them: business schools, webinars, conferences and in the near future a broad program for all formal and non-formal education. We see the need of professionals who rethink and redesign their way of working, individually and on company-level.

6. Scale changes because of new energy in society. However people like to have a lot of interdependencies, they also like to be independent. This independency is mostly felt in the field of energy. The creative civilian doesn’t need the oil-, gaz- and electricity companies anymore: by creating on local level their own Energy Company or Energy Service Company, they create a feeling and fundament of independency. Also projects based on cooperative car-ownership and other collaborative sharing bring new economics to live. We support this change, see businesscases and create the basics for initiators.

7. Transitionmanagement is our corebusiness. We identify the ‘next step’ or even better the ‘next leap forward’. Planning the interventions that are needed to speed up the process of change is what we do best.

8. Governance needs a redesign also. We envioned that this will be a major change, from a directive basis to a condition based approach. That means that governments as well national and local, need a new vision on their approach to their governance strategies.

We see a great transition coming. It will change the economic ‘game’ to an extend that is yet beyond belief. Feedbackloops change, responsabilities change and speaking in terms of sustainable development, this could be the key to a major shift in the relation between human, ecology and economy. Next time we will focus on this.

Biomimicry in de gebouwde omgeving

Biomimicry betekent letterlijk het leven imiteren of nabootsen. Biomimicry is een methode om inspiratie uit de natuur te halen en dit positief in een ontwerp te gebruiken. Deze methode werd al vaak gebruikt in de geschiedenis, echter de term biomimicry is pas bekend geworden sinds 1997 Janine Benyus het boek “Biomimicry” schreef. Om deze methode zo succesvol mogelijk toe te passen, gebruik je het in een zo vroeg mogelijk stadium. Een ontwerper dient de essentie van het ontwerp te bepalen, om vervolgens zich door de juiste modellen uit de natuur zich te laten inspireren. Als het juiste model is gevonden, zoek je een manier om het volgens Life’s Principles toe te passen in het ontwerp. Biomimicry is een algemeen ontwerp-proces. Om het in de gebouwde omgeving toe te kunnen passen, dien je de juiste vragen te stellen en genoeg biologische kennis in huis te hebben.

Meer informatie over het toepassen van biomimicry in gebouwde omgeving vindt je in het artikel hier: Biomimicry in de gebouwde omgeving

Kantelpunten energie

Een tijdje geleden was ik bij een overleg waar de ‘Klimaat agenda’ werd gepresenteerd. Te lang geleden om die nu weer helemaal in herinnering te kunnen roepen, maar mijn reactie was toen duidelijk: kunnen we niet veel directer werken aan de kantelpunten die we kunnen identificeren?

Daarover nadenkend kom je al snel tot de wezenlijke kantelpunten met betrekking tot de energie- en klimaattransitie in NL. Het is dus een eerste lijst, met bij enkele van de punten een kleine toelichting. Het is voorlopig ook een ongewogen lijstje, groot en klein gaan gebroederlijk samen:

* opheffen split incentive

Split incentive staat voor het thema dat de ‘opbrengst’ niet bij de ‘investeerder’ terecht komt. Dat geldt zowel voor Utiliteits-bouw als woningbouw (huursector). Het staat ook voor het wegenemen van ‘perverse koppelingen’ die een systematische aanpak in de weg staan. Door dergelijke ‘perverse koppelingen’  aan te pakken, ontstaat een beweging die zichzelf stuurt omdat er voor de initaitiefnemer een directe incentive verbonden is aan de investering. Er wordt dan vaak gesproken over een ‘woonlasten-benadering’. Dat is volgens mij nog niet voldoende omdat dat begrip weer een negatieve connotatie heeft. Het gaat veel meer om ‘performancebased’ werken. In de reisbranche bekend als de all-inclusive reizen, in de huursector zie je het al bij studentenkamers, de prijs is inclusief woonruimte, warmte, electrisch, kabel, internet etc. De gebruiker krijgt geen extra rekeningen, tenzij hij/zij extravangant gedrag vertoont in verbruik van energie/internet. Dit loopt nu vast op wetgeving die gebaseerd is op de woningwet van 1901, maar nu zitten we in de 21e eeuw: dat kan dus beter. Natuurlijk worden er al ingenieuze oplossingen bedacht, maar dat zijn de aanpakken die gebruik maken van mazen in het huidige systeem. Dat kan inderdaad beter.

* van efficiency gericht beleid naar beleid gericht op effectief&efficient (koppeling)

efficiency is het isoleren van gebouwen, spaarlampen of led indraaien en het beroep doen op gebruikersgedrag. Effectief is de (eigen) opwekking van schone energie. Zodra er sprake is van een cooperatief verband waarbij de gebruiker ook eigenaar is, zal het streven naar efficient gebruik ook een impuls krijgen (hollandse koopmansgeest: hoe minder je zelf gebruikt hoe meer je kunt verkopen). Hoewel er niks mis is met gebruik van duurzame energie, zul je dus zien dat effectiviteit en efficiency dan hand in hand gaan.

* realiseren van saldering en zelflevering

bekend thema, waarbij nu nog teveel in sectorale verdiensten wordt gerekend. Een brede maatschappelijke, economische, analyse zal laten zien dat de verdieneffecten veel verder gaan. Principe: geld stroomt… Dus als mensen verdienen op hun energie, zullen ze het op andere manieren gaan besteden.

* gelijke markten voor klein- en grootverbruikers in prijsstelling energie en leverantie

* klimaatbeleid daar waar energiebeleid vorm krijgt

van klimaatbeleid dat veelal nog gezien wordt als een inspanning op milieu en duurzaamheid naar werkelijk energie en klimaat beleid dat gedragen wordt door de verantwoordelijken voor de economische aspecten van de uitvoering.

*versterken van investering in nieuwe technologie:  

10 diepe geothermie electriciteits centrales ipv 1 gas/olie/kolencentrale. Een strategie waar Nederland nog vrijwel niets aan doet. Ook andere technologie-ideeën vragen verdere ontwikkeling: alle rest-energie in Nederland benutten?

* Kapitaalsinvesteringen blijven hangen door risicoperceptie bij institutionele investeerders als de pensioenfondsen. Garantstellingen helpen

* inzetten op de human resources, competenties en vaardigheden die de energieke samenleving versterken.

* schep de juiste condities. Het scheppen van de condities maakt beweging echt mogelijk.  We weten ook al heel lang dat als de balans tussen de kennis en houding en het handelen niet goed is, dat er dan in de marge wel het een en ander gaat gebeuren, maar de kanteling vraagt de ‘grotere’  beweging. Dat vraagt om aandacht voor de juiste condities…

* Nog een doorbraak die nodig is: bouwen zonder handleiding… 

De technieken die gebruikt worden domineren het energiesysteem. De installateur doet goede zaken en ‘wij’  moeten de gebruiker leren op welke wijze zij er mee om moeten gaan. Dit komt uit vele monitoringsonderzoeken tevoorschijn: het gedrag van de gebruiker is niet in balans met de mogelijkheden van de installaties. Nu is de vraag op welke wijze kun je een gebruikers-proof gebouw realiseren: de eerste bewoner/gebruiker is slechts de eerste. Gemiddeld zullen 5-7 mutaties plaatsvinden voor de eerste grootschalige renovatie plaatsvindt. Dan moet je dus 5-7x die gebruikers instrueren. Dat kan beter. Of door natuurlijke processen te benutten (inspelen op menselijke reflexen), door betere en kortere feedbackloops te gebruiken of door regel-arme installaties/gebouwen te maken.

* Feedbackloops vormen ook nog een interessant thema. Koppeling van gedrag en energierekening is niet erg ‘slim’  omdat er dan geen directe terugkoppeling is. Er zit veel tijd tussen en dan nog is de vraag in hoeverre de energierekening als feedback functioneert: ligt het aan mijn gedrag, het huis of de leverancier met zijn prijsstelling? Korte feedbackloops zijn wellicht te realiseren door een nieuw soort thermostaat die door led-lichtjes op een lijn van – naar + aangeeft hoe je presteert (rood-oranje-groen). Vraagt wel weer extra technische voorzieningen of is dit gewoon de echt slimme meter?. Of is daar ook iets slimmers op te organiseren?

Ik hoop dat jullie dit willen zien als een eerste bijdrage aan het scherp krijgen van de werkelijke klimaat agenda die we nodig hebben om doorbraken te krijgen in de transitie naar een klimaatneutraal Nederland wat betreft energie.

Reactie? ja graag!

Biomimicry and “back to the basics”

“The more our world functions like the natural world, the more likely we are to endure on this home that is ours, but not ours alone.”~ Janine M. Benyus

‘BIOMIMICRY – Innovation inspired by Nature’, geschreven door Janine M. Benyus, werpt een nieuw inzicht op duurzame ontwikkeling.
Door het bestuderen van modellen, systemen, processen en elementen uit de natuur, is het mogelijk om levensvatbare ontwerpen voor menselijke problemen te realiseren. De vraag die wij ons nu stellen is: Kunnen wij biomimicry gebruiken in het ontwerpproces van de architect?

De natuur onderzoekt en ontwikkelt zich al ruim 3,8 miljard jaar en heeft een gesloten systeem gecreëerd waarin alles, op efficiënte manier, wordt hergebruikt. Het model van de natuur heeft succes. Wat is het verschil met onze manier van handelen?

De werkwijze van de natuur is omschreven in “Life’s Principles”. Deze principes zijn de basis voor het natuurlijke systeem. Kunnen wij dit gebruiken om onze wereld vorm te geven? Wij denken van wel en we zijn op zoek naar een manier om deze principes aan het ontwerp van een gebouw te koppelen.

De methode is toe te passen op verschillende niveaus:
Als model; voor vorm, proces, systeem en strategie. Als maatstaf; binnen welke kaders kan men opereren, de natuur werkt en is blijvend. Als mentor; kijk naar wat we van de natuur kunnen leren, niet wat er uit kunnen halen. De uitdaging is om de methode te doorgronden en toe te passen op elk niveau van het vakgebied. Wij houden ons bezig met het ontwerpproces tot het ontwerp.

De vitale vraag waar biomimicry uit voorkomt is natuurlijk het volgende: Hoe houden we deze aarde levensvatbaar?

Het is tijd om breder te kijken dan een aanpassing op het huidige. Het is tijd om bij elke oplossing opnieuw de essentiële vraag te stellen. Wat wil ik dat mijn ontwerp gaat doen? En hoe heeft de natuur hier een oplossing voor gevonden?

Uiteindelijk gaat dit alles niet om het vinden van één oplossing. Het gaat om een verandering in de fundamentele denkwijze van de mensen. Deze verandering is niet alleen in de bouw noodzakelijk, maar ook in onze economie en maatschappij. De enige oplossing is een integrale oplossing. Hopelijk kunnen wij u de komende maanden inspireren om hierover na te denken!

Wij zijn Patrick Ooms en Jurre machielsen. Sinds februari werken wij aan onze afstudeerscriptie ‘Biomimicry in the built environment’. De vraag die wij ons hebben gesteld is: kan een gebouw aan de hand van de principes van biomimicry worden ontworpen en gerealiseerd?

Om deze vraag te beantwoorden proberen we het principe van biomimicry te doorgronden en deze te herschrijven voor het bouwproces. Dit blog is een weergave van de bevindingen die wij tijdens ons afstudeeronderzoek doen.
Het eerste artikel is een korte samenvatting van de methode biomimicry en wat wij ermee willen bereiken. Wij hopen u hiermee te inspireren en motiveren om opnieuw stil te staan bij alledaagse handelingen. Voor advies of vragen kunt u mailen naar djj@opai.eu. Wij zijn benieuwd naar uw reactie!

Another ‘Rough guide..’

Afgelopen week was er in Lochem de Duurzaamheidsdag van de regio Stedendriehoek. Niks bijzonders zou je zeggen, maar dat is toch echt anders. Niet alleen deugde het programma, ook het aantal deelnemers, hun ambities en de sfeer deugden. Misschien wel meer dan dat. Naar mijn inschatting kwamen zo’n 500-600 belangstellenden naar het Staring College om deel te nemen aan verschillende workshops en ‘s avonds te luisteren naar inleidingen van oud-minister Jacqueline Cramer en duurzaamheidsondernemer Ruud Koornstra.
Maar de echte vraag is natuurlijk: ‘wat was er nou zo bijzonder?’ Dat zit vooral in de energie die sprak uit de bijeenkomst. De energie in de samenleving kwam naar boven, liet zich voelen en er werd afspraak na afspraak gemaakt om tot handelen over te gaan. “Lochem Energie” is het lokale energiebedrijf dat snel wint aan vertrouwen in de stad en het land. Boeren worden energieproducent en ook de burgers schrikken daar niet voor terug. Intussen kwam Berkelmilieu (Circulus/afval) ook nog even vertellen dat zij de omslag van afval naar grondstoffen stevig inzetten. Uiteindelijk rest er nog maar een kilo of 10 werkelijk onbruikbaar afval van iedere burger: de rest komt als grondstof terug in het productiesysteem.

De energieke samenleving is al gesignaleerd in dit rapport van het Planbureau voor de Leefomgeing, maar krijgt in Lochem en de Stedendriehoek daadwerkelijk gestalte. Klagen, wachten of roepen, is niet meer van deze tijd, zo toont de energie in Lochem aan: burger, ondernemer en bestuurders gaan samen werken aan realisering van doelen: doen is het motto.

Dat leeft in Lochem en de gemeente Lochem heeft een goede weg gevonden om er mee om te gaan: vertrouw in de competenties van de initiatiefnemers, vertrouw op de kwaliteit van ondernemers en geef support waar nodig. Dat is iets anders dan plannen maken als gemeente en de burger mee zien te krijgen. Nu is het vooral de uitdaging neerleggen bij de samenleving, de eerste ontmoetingen faciliteren en vervolgens goed luisteren en handelen ter ondersteuning waar nodig. De kern van wat we tegenwoordig klimaat 2.0 noemen.

Voor een overzicht van de workshops die er gegeven zijn (en de inhoud) zie de website van de dag van de duurzaamheid 2012. Daar tref je ook mijn samenvatting en signaleringen over de middagbijeenkomst aan: hier.

Intussen is het niet specifiek voor Lochem, noch voor Texel, Haarlem, Tilburg, Wageningen en vele vele andere plaatsen in Nederland. Dit weekend werd ik via twitter attent gemaakt op de ontwikkeling in het United Kingdom. In dat artikel in de Guardian wordt gesproken over de ‘The Rough Guide to Community Energy’ waarin een goede analyse wordt gegeven over de wenselijkheid, mogelijkheden en ideeen over decentrale energie opwekking. Natuurlijk specifiek voor de Britse context, maar toch een leerzaam document.

Overigens was de inleiding van Jacqueline Cramer zeer de moeite waard en onderschreef zij de waarde van lokale initiatieven in een wereld waar klimaatvraagstukken worden gekenmerkt door complexiteit en verschillen in belangen. Ruud Koornstra wist niet alleen de lachers op zijn hand te krijgen, maar liet ook op indrukwekkende wijze zien dat ondernemen met een beetje risico en vooral veel doorzettingsvermogen tot prachtige resultaten kan leiden. Hij wist zelfs te vertellen dat veel van de nieuwe ontwikkelingen een basis in Lochem hebben, zoals de eerste elektrische auto’s in Nederland (gemaakt door Willem van der Kooij). De eerste LED-lampen komen uit een schuur in Eefde. Kortom, nooit denkekn dat innovaties alleen maa uit grote laboratoria komen, die komen veel vaker uit mensen met een idee en het lef om er mee aan de gang te gaan.

Zo’n avond laat zien dat de kracht van de samenleving onweerstaandbaar is!