Resultaten IKS

Innovatieprogramma Klimaatneutrale Steden

8 gemeenten werken sinds begin 2011 aan de uitvoering van hun projecten in het kader van het Innovatieprogramma Klimaatneutrale Steden (IKS). De deelnemende gemeenten zijn: Amsterdam Zuid, Breda, Rotterdam, Tilburg, Heerhugowaard, Nijmegen, Lochem en Wageningen.

De ambitie van het IKS-programma is het experimenteren met proces- en systeeminnovaties. Uitgangspunt is dat technische innovaties veelal buiten de scope van de gemeente vallen en met name in het energiedomein volop gaande zijn in de industrie, bouw en mobiliteit. De gemeenten hebben er allemaal voor gekozen om de aanpak van het klimaat vooral te doen via energiemaatregelen. Daarbij zijn de proces- en systeeminovaties vooral:

  • nieuwe vormen van samenwerking / alliantievorming
  • versterken van burgerparticipatie, zowel individuele burgers als organisaties;
  • versterken van ondernemerschap;
  • identificeren en uitproberen van nieuwe vormen van governance;
  • ontwikkelen van financieringsmodellen en
  • versterken van autonome ontwikkelingen.

Praktisch gezien heeft dit geleid tot ondermeer:

  • oprichting Duurzame Lokale Energie Bedrijven (Lochem, Amsterdam Zuid, Wageningen en in zekere mate Tilburg);
  • doelgerichte en doelmatige concessieverlening OV en productie Groen Gas (Nijmegen);
  • grootschalige plaatsing zonne-pv op kantoren en andere bedrijfsgebouwen (Wageningen);
  • samenwerking met grondgebonden ondernemers (boeren) om tot ‘energielandschappen’ te komen (Lochem);
  • fundamentele bottom-based initiatieven/aanpak (Amsterdam, Lochem, Tilburg e.a.);
  • lokale bedrijvennetwerken die initiatiefnemers worden (Tilburg);
  • signalering technologische onvolkomenheden decentraal, opstarten experimenten: Low Voltage woning (Heerhugowaard);
  • leefstijl-gerichte communicatie (Breda);
  • inzicht in financiering/investeringsmogelijkheden (Lochem, Tilburg, Amsterdam, Heerhugowaard e.a.) en
  • signalering van insitutionele en regelgevingsbelemmeringen (Lochem, Amsterdam, Nijmegen, Tilburg, Wageningen).

Daarmee is IKS aanjager geworden van decentrale energie-aanpak (-opwekking). De oprichting van E-decentraal mag in zekere mate aan IKS-partners worden toegeschreven, alsmede de signalering dat het huidige systeem met betrekking tot saldering en zelflevering een faalfactor is.

Conditiesturing

In de gesprekken met de IKS-gemeenten wordt veel aandacht besteed aan de condities, de omstandigheden, die van invloed zijn op de kracht van autonome ontwikkelingen. Daarbij wordt bestaande regelgeving en belastingen met betrekking tot de saldering en zelflevering geidentificeerd als een falende omstandigheid. Enerzijds beperkt het particuliere initiatiefnemers in hun investeringsbereidheid en anderszijds werkt het een beperkte omvang van installaties in de hand. Overcapaciteit op het eigen dak is te weinig ‘lonend’ om te realiseren. Het gebrek aan mogelijkheden om electriciteit buiten de eigen meter om, op te wekken (bijvoorbeeld op het dak van een school of bedrijf in de buurt) is toe te schrijven aan de bestaande regelgeving met betrekking tot zelflevering. Kostprijs en verdienmarges liggen te dicht bij elkaar (of zelfs negatief) door de huidige tariefstellingen en daardoor het ontbreken van een incentive op decentrale duurzam energie.

Dit thema is inmiddels herkend en erkend bij de betrokken ministeries en de Tweede Kamer. Vanuit de IKS-ervaring is te signaleren dat het ontbreken van een goede basis, de stevige ontwikkeling in de weg staat.

Het idee dat decentrale opwek een fundamentele en relatief forse bijdrage kan leveren aan de gewenste transitie mbt duurzame energie was bij aanvang van IKS landelijk vrijwel niet erkend. Inmiddels is het tot een thema in het politieke en ambtelijke debat geworden. De IKS-gemeenten hebben daar aan bijgedragen, Lochem en Amsterdam Zuid hebben daarin een actieve rol. Tilburg speelt een rol mede doordat de wethouder (Berend de Vries) klimaatambassadeur is.

Oplossingen

De kracht van lokale innovatieve initiatieven is dat de realisatie daadwerkelijk tot stand komt. Praktische vragen worden opgelost, ruimtelijke obstakels overwonnen en waar nodig worden onorthodoxe maatregelen getroffen. Daarmee geeft de praktijk kracht aan de agendering van decentrale energie op politiek niveau. De fundamentelere oplossingen van de huidige belemmeringen in wet- en regelgeving en belastingen vragen om politieke oplossingen.

In de verschillende IKS-projecten is zichtbaar geworden dat het streven naar de klimaatneutrale gemeente bijdraagt aan versterking van de lokale economie. De eigen energie-opweking heeft niet alleen een individuele economische waarde. Er is sprake van bredere maatschappelijke kosten en baten. Ieder “Duurzaam Lokaal Energie Bedrijf” (LDEB) draagt bij aan versterking van de lokale economie. Dit inzicht heeft geleid tot de politiek-bestuurlijke vraag naar een Maatschappelijke Kosten Baten Analyse (MKBA).

De fundamentele oplossingen zijn nooit simpele oplossingen, doordat verschillende belangen spelen. Het ambtelijk proces is ook gaande, gericht op het wegnemen van belemmeringen maar weerstand komt ondermeer vanuit ‘financien’. Overigens heeft dat ook weer geleid tot discussies over het ‘verdienmodel’ voor de overheid in decentrale en duurzame energie.

Niet alleen ‘salderen’ is een belemmering in de huidige situatie maar ook blijkt de lage tariefstelling voor grootverbruikers een (onverwacht) probleem te zijn. Dat maakt de ‘rekenkundige benadering’ van grote daken voor zon moeilijk. Er is voor bedrijven vrijwel geen incentive te verwachten, door de lage tariefstelling voor grootverbruikers.

Energieke samenleving

Toen het gelijknamige rapport van het PBL verscheen, half 2011, werd het door IKS-gemeenten ervaren als een beschrijven van de processen die in hun projecten tevoorschijn komen. Waar PBL zich trendgevoelig toont, lijken de IKS-gemeenten de trend te ervaren en te zetten.

Er is veel geleerd in IKS als het gaat om het versterken van de energieke samenleving. Een nieuwe vorm van governance lijkt nodig. Dat is gebaseerd op het herkennen van de competente samenleving die op iedere plek in Nederland aanwezig is en die initiatiefnemers vertrouwen geven. Het herkennen van de competente samenleving op lokaal niveau is niet gegarandeerd leidend tot succes. Karakteristiek voor een versterkende governance is:

  • identificeren van competente burgers door te mobiliseren (bijvoorbeeld via een informatiebijeenkomst of andere werkvormen) en te inspireren;
  • ruimte bieden om de nieuwe organisatie en samenwerking op te bouwen, zowel fysiek (vergaderrruimte) als financieel (onkosten dekken) als mentaal (door te werken als ‘meewerkend voorman’ en kennis beschikbaar te stellen);
  • richting geven is een belangrijke bijdrage vanuit de lokale bestuurders. Zij zien het lange termijn perspectief, kennen de klimaatdoelstellingen en geven daarmee een stevige koers. Daarbij is duidelijk geworden, in de projecten in Lochem, Amsterdam Zuid en Wageningen, dat richting geven niet verward mag worden met sturing. Er is een directe relatie tussen het sterke gevoel van autonomie bij burgers en bedrijven en het richtinggeven versus een afwachtende houding bij een meer directieve houding van bestuur en ambtelijke uitvoerders.
  • Vernieuwing speelt een belangrijke rol. Ook de gemeente is een organisatie uit het ‘verleden’, dat wil zeggen dat procedures, regelingen en besluitvorming aan regels gebonden zijn. Dat alles loslaten en in een andere richting sturen is lastig voor gemeenten. Interne processen werken dan vaak tegen (Amsterdam, Lochem). In deze gemeenten is getracht om te werken vanuit het idee van ‘positieve discriminatie’ als vorm van experiment: proceduretijd verkorten, flexibiliteit versterken: onorthodoxe maatregelen als kern voor nieuwe rol. Hoezo europees aanbesteden als het plan van cooperatie is tussen burgers, bedrijven en overheid? Naar binnen toe is durf ontwikkeld om nieuwe procedures af te dwingen (Tilburg).
  • Flexibiliteit kenmerkend voor IKS. Intern, bij gemeenten, vergunnngen en financieen benaderen vanuit flexibiliteit, wordt ook moeilijk als het gaat om verantwoording aan de gemeenteraad, die veelal SMART opereren. Het zoeken naar ruimte is dan aan de orde. Het vraagt open gesprekken met de ‘remmers in vaste dienst’ en controllers (raad). Dat is een beweging die nu komt. Deze benadering vraagt ook vakmanschap in programmasturing (Tilburg).
  • Procesmatige benadering is kenmerkend voor de IKS-aanpak. De mooie combinatie van harde doelen (opwekking) en procesaanpak (relatief soft), botst ook regelmatig met verwachtingen van partijen. Het is een combinatie van de technologische ontwikkeling en de sociologische aspecten en die combinatie blijkt moeilijk in praktijk. Bestuurder moet resultaat zien/leveren: wat wordt het? Zon of wind? Vertrouwen is hierbij vaak het issue (Lochem, Amsterdam, Tilburg). Overigens blijkt in de IKS-projecten dat het een misvatting is dat een procesaanpak niet-resultaatgericht zou zijn: alleen het kunnen andere resultaten zijn dan gedacht. De IKS-projecten laten zien dat er ook een afweging moet zijn van vertrouwen in partners: daadkracht, doorzettingskracht, technische kwaliteit initiatiefnemers speelt een rol. Overigens signaleren de gemeenten ook dat niet ieder resultaat goed hoeft te zijn, in die zin hoort het leren ‘nee’ zeggen er ook bij;
  • be supportive’ is een belangrijke eigenschap van de gemeente gebleken. Dat impliceert gebruik van gemeentelijke faciliteiten, beschikbaar stellen van kennis, steun bij procedures en als volwaardige partner op te treden voor iniatiefnemers als het gaat om contacten met grote spelers in het spel: banken, energiebedrijven, institutionele investeerders e.d.
  • podium bieden hoort hier zeker bij. Zowel in poltitieke zin door regelmatig contact te organiseren met de lokale politiek en initiatiefnemers. Daarnaast is de steun van de gemeente een zeker garantie/keurmerk voor burgers en organisaties/bedrijven voor de betrouwbaarheid vn dergelijke nieuwe burgerinitiatieven.
  • coöperatief organiseren is een sterk element in de ontstane initiatieven van burgers en bedrijven. De duurzame lokale energiebedrijven die ontstaan hebben veelal een coöperatief karakter.

Niet alles is even soepel gegaan. Er blijkt in enkele gevallen een spanning te zijn tussen de ‘traditionele’ opvattingen over de verhouding bestuur-burger. Daar waar de burger slechts ‘draagvlak’ mag leveren ontstaat argwaan, afstand en afwijzing (triple-A). De burger zet zijn hakken in het zand, negeert of voelt zich slecht geïnformeerd. Dit is geconstateerd bij in ieder geval één project. De uitvoering van IKS werd belegd in een stuurgroep waarin instituties met belangen in het betrokken gebied of een inhoudelijke (eigen-) belang de beslissingen gaan nemen. Dat leidde inderdaad tot de nodige fricties, die pas kort geleden zijn benoemd en nu voor een hernieuwde aanpak een basis legt. De spanning tussen institutionele aansturing en het activeren van de energieke samenleving werd duidelijk.

leerzame ‘mislukkingen’

Hoewel het woord ‘mislukking’ hier niet al te letterlijk moet worden genomen, is er wel een aantal leerpunten te benoemen die voortkomen uit veranderende omstandigheden. De belangrijkste:

  • stagnerende verkopen bij nieuwbouwprojecten, vragen fundamentele heroverwegingen van de aanpak. Intensivering van communicatie is de primaire reflex maar leidt slechts tot minimale beweging in de markt. Nieuwe concepten als gebruik in plaats van eigendom of het realiseren en aanbieden van woondiensten, vraagt een systeeminnovatie die voor individuele gemeenten lastig te realiseren is. Men kan (nog) niet terugvallen op ‘casebased’ ervaringen (o.a. Heerhugowaard);
  • de spanning tussen institutionele belangen en bottom-based benadering is voor burgers moeilijk te doorgronden noch werkelijk aan te pakken. Hier past een nieuwe visie op de rol van de gemeente (o.a. Rotterdam-Heijplaat);
  • innoveren is lastig. Allereerst al het signaleren van de noodzaak tot technische-, proces- of systeeminnovaties. Dat vraagt een vorm van reflectie op stagnerende ontwikkelingen die gekarakteriseerd kan worden als ‘reflexief’ en ‘out-of-the-box-denken’. De waarde van externe coaching en reflectie is dan groot en verhoogt de kans op doorbraken in denken en doen (o.a. Wageningen en Heerhugowaard);
  • bottombased werken, gebaseerd op een werkwijze die gekarakteriseerd kan worden als een ‘grassroots’ benadering, vraagt veel tijd en capaciteit. Hierbij is een professionele procesbegeleiding wenselijk om van praten en denken naar doen te komen (o.a. Amsterdam Zuid en Lochem). Ook vraagt het een bestuurlijke ‘houding’ die uitgaat van vertrouwen in de competente samenleving. Terughoudendheid in sturing en organisatie van bestuur en gemeentelijke apparaat is daarbij van grote waarde gebleken (Lochem). Het belangrijkste leerpunt daarbij is: Stel de eindgebruiker centraal, dan kristalliseren belangen zich wel uit en participeren allen beter. En
  • De diversiteit van lokale initiatieven maakt grootschaligheid in de lokale aanpak moeilijk (o.a. Lochem, Tilburg en Amsterdam Zuid).

leerpunten innovatie

Op het domein van IKS, de proces- en systeeminnovaties, zijn belangrijke stappen gezet. Een specifieke analyse zal nog plaats vinden (o.a. door PBL) en in de rapportages van de gemeenten worden deze punten uitgebreid toegelicht. In de procesinnovatie gaat het vooral om nieuwe vormen van samenwerking en de vorming van nieuwe allianties. De systeeminnovaties liggen in nieuwe perspectieven op de aanpak op lange termijn. De gesignaleerde, doorsnijdende, innovaties:

  • Marktsturing als publieke interventie: in Nijmegen is de concessieverlening OV benut om tot een marktvraag naar Groen Gas te komen. Dat is een relatieve zekerheid voor producenten van Groen Gas in de regio die investeringen moeten doen om tot opwekking te komen. Nijmegen heeft een systematiek ontwikkeld die dit mogelijk maakte, zodat een zichzelf-versterkende ontwikkeling op gang is gebracht;
  • Marktordening als publieke interventie: in Tilburg zijn forse stappen gezet in het publiek-privaat organiseren van de energie- en klimaataanpak. Van servicebureau voor individuele burgers en ondernemers tot organisatie van samenwerking in verschillende gremia. De gemeente treedt op als initiator, bedrijvennetwerken nemen vervolgens de verantwoordelijkheid en sturing over. Het ‘klimaatschap’ is de werktitel, die goed aangeeft dat corporatieve structuren kunnen en zullen ontstaan, zeker als vanuit het publieke belang door de gemeente facilitering wordt geregeld;
  • marktontwikkeling als (semi-)publieke interventie: de ambitie om ‘zonnestad’ te worden met gebruik van daken van bedrijven, instituten en publieke instellingen werkt als er een semi-publiek orgaan is waarin alle partijen een stem hebben of kunnen krijgen. Door bundeling van kracht kan inkoop geregeld worden, door bundeling van kennis kunnen nieuwe projecten snel gerealiseerd worden. In Wageningen is hier ervaring mee opgedaan. Daarbij komen belemmeringen in ontwikkeling ook snel en zichtbaar naar voren. Die oplossen door innovatieve en bestuurlijke interventies blijkt een moeilijk terrein te zijn. Dat vraagt innovatief vermogen van de partners;
  • marktsupport als publieke interventie is van grote waarde gebleken. Initiatiefnemers op lokaal niveau kennen in aanvang een relatief lage organisatiegraad en hebben geen ‘trackrecord’ waar het gaat om investeren en realiseren. De gemeente kan hierbij de stabiele factor zijn die gesprekspartners een zekere garantie geeft op resultaat. Institutionele gesprekspartners (investeerders, netwerkbeheerders e.a.) maar ook burgers hechten hier veel waarde aan (Tilburg, Lochem, Wageningen, Amsterdam Zuid);
  • awareness vanuit publieke domein heeft een zekere mate van objectiviteit. Gebleken is dat aanhaken in de communicatie bij karakteristieken van groepen, helpt. Daarmee wordt een herkenbaarheid bij bestaande leefstijlen gevonden. Kracht van ontmoetingen wordt steeds sterker en de publieke belangstelling groeit (Breda, Lochem, Amsterdam Zuid).

Door de IKS gemeenten is een aantal wezenlijke kantelpunten geidentificeerd: schep de condities, is hierbij als hoofdpunt genoemd. Ondermeer door het opheffen van het verschil tussen groot- en kleinverbruikers. Lokaal blijkt er een grote groep kleine grootverbruikers (huis met zwembad, MKB etc) te bestaan. Dat zou een prioritaire groep kunnen zijn maar de gemeenten signaleren dat voor deze groep een incentive ontbreekt. Ook al omdat geen groene voorwaarde aan de grootverbruikersvoorwaarden verbonden is.

kennisoverdracht

In de IKS projecten is veel aandacht gegeven aan kennisoverdracht. De initiatieven verschillen, maar op hoofdlijn zijn de volgende elementen zichtbaar:

  • peer to peer communicatie en leren is het krachtigst gebleken. Gemeenten met vergelijkbare ambities vinden de acht IKS gemeenten om de opgebouwde ervaringen te benutten. Deze informele vormen van kennisoverdracht zijn tevens de belangrijkste gebleken. Dankzij de IKS-financiering zijn de acht gemeenten in staat geweest om vele vragen, werkbezoeken, themabijeenkomsten en dergelijke te doen. Essentieel is de koploperspositie die de IKS gemeenten hebben kunnen realiseren dankzij IKS financiering. Er lijkt sprake van een ‘factor 10’ effect: de acht gemeenten hebben ieder minimaal 10 gemeenten versterkt in hun aanpak door een gerichte kennisoverdracht. Dit effect van IKS maakt dat zeker 80 gemeenten actief gebruik hebben kunnen maken van de innovaties in de acht gemeenten;
  • instrumenten die zijn ontwikkeld in IKS-projecten, worden actief gedeeld met partnergemeenten en regio’s. Rekenmodellen, organisatie-doorbraken, analyses (o.a. actief inzetten duurzaam inkopen) zijn beschikbaar voor anderen via websites of direct contact. In de landelijke netwerken en -communicatie is dit bekend en voor vele gemeenten een hulpmiddel om tot versnelde uitvoer te komen (Wageningen, Amsterdam Zuid, Nijmegen);
  • regionale kennisdeling vindt in vrijwel alle projecten actief plaats. Ambtelijk en bestuurlijk in regionale samenwerkingsfora (Heerhugowaard, Amsterdam Zuid, Wageningen, Lochem) en enkele projecten hebben regionaal facilitering ingericht voor collega-gemeenten (Tilburg, Nijmegen). Dit proces leidt tot autonome ontwikkeling op regionaal niveau, waarbij elementen in gezamenlijkheid worden opgepakt.
  • (nieuwe) media worden door de gemeenten actief ingezet om bij te dragen aan de kennisoverdracht. Publiciteit is gezocht in publieksgerichte media, maar ook in vakbladen. De websites vormen in een aantal gevallen een bron van inspiratie en ervaringen voor andere gemeenten (Wageningen, Nijmegen).

signalering

Op basis van de gemeenschappelijke ervaringen en discussies van de IKS-gemeenten is een aantal thema’s te benoemen die aandacht vragen en wellicht een omslag. Het zijn aanbevelingen aan het Rijk. De wezenlijke kantelpunten voor de klimaat- en energietransitie in Nederland, groot en klein:

* opheffen split incentive

Split incentive staat voor het verschijnsel dat de ‘opbrengst’ niet bij de ‘investeerder’ terecht komt. Dat geldt zowel voor utiliteits-bouw als woningbouw (huursector). Het staat ook voor het wegnemen van ‘perverse koppelingen’ die een systematische aanpak in de weg staan. Door dergelijke ‘perverse koppelingen’  aan te pakken, ontstaat een beweging die zichzelf stuurt omdat er voor de initiatiefnemer(-s) een directe incentive verbonden is aan de investering.

* van efficiency gericht beleid naar beleid gericht op effectief&efficient (koppeling)

Efficiency is het isoleren van gebouwen, spaarlampen of het beroep doen op gebruikersgedrag. Effectief is de (eigen) opwekking van schone energie. Zodra er sprake is van een coöperatief verband waarbij de gebruiker ook eigenaar is, zal het streven naar efficient gebruik ook een impuls krijgen (Hollandse koopmansgeest: hoe minder je zelf gebruikt hoe meer je kunt verkopen). Dan gaan effectiviteit en efficiency hand in hand. De IKS-gemeenten doen hier veel ervaring mee op en stimuleren coöperatieve energie bedrijven.

* realiseren van saldering en zelflevering

Door de IKS gemeenten ruim geagendeerd, zowel bij de ministeries als politiek (TK) als in het maatschappelijk debat. Ook zijn voorstellen tot Green Deals voorgelegd waarin IKS-projecten de primaire partner of participant zijn. Vanuit IKS is daarbij zichtbaar geworden dat de economische impact groot is. Dat is niet alleen in het energiedomein, maar door nieuwe/veranderende geldstromen ook in andere domeinen. Een brede maatschappelijke, economische, analyse zal laten zien dat de verdieneffecten veel verder gaan. De IKS gemeenten dragen bij aan de vraagstelling en vorm die een dergelijke Maatschappelijk Kosten Baten Analyse (MKBA) kan krijgen.

*versterken van investering in nieuwe technologie:  

In IKS projecten wordt veelal gewerkt met bekende, bestaande, technologie. Tegelijkertijd wordt zichtbaar dat deze bestaande technieken veelal zijn gebaseerd op ‘oude’ inzichten. Technologische innovaties als low-voltage, gelijkstroom, opslag en nieuwe vormen van opwekking als ‘diepe geothermie’ zijn nodig om echte doorbraken te realiseren.

  • Kapitaalsinvesteringen blijven hangen door risicoperceptie

De IKS-projecten merken dagelijks deze perceptie bij institutionele investeerders als de pensioenfondsen. Garantstellingen helpen, continuiteit in beleid helpt evenals opschaling van coöperatieve samenwerking. Dit vraagt innovatieve ontwikkelingen in governance and finance.

  • Inzetten op de human resources, competenties en vaardigheden

Het werken vanuit proces- en systeeminnovaties en de daarbij horende nieuwe aanpakken, vragen nieuwe competenties die de energieke samenleving versterken. Het gaat daarbij om inrichten van coöperaties, nieuwe financieringsvormen, kennis en inzicht in de energiemarkt en analytisch vermogen om energiepotentieel op lokaal niveau te herkennen en tot ontwikkeling te brengen.

  • Nog een doorbraak die nodig is: bouwen zonder gebruiksaanwijzing

De technieken die gebruikt worden domineren het energiesysteem, zien de IKS-gemeenten. De installateur doet goede zaken en ‘wij’  moeten de gebruiker leren op welke wijze zij er mee om moeten gaan. Dit komt uit vele monitoringsonderzoeken tevoorschijn: het gedrag van de gebruiker is niet in balans met de mogelijkheden van de installaties. Nu is de vraag op welke wijze gebruikers-proof gebouwd kan worden: de eerste bewoner/gebruiker is slechts de eerste. Gemiddeld zullen 5-7 mutaties plaatsvinden voor de eerste grootschalige renovatie plaatsvindt. Dan moet dus 5-7x die gebruikersinstructie plaatsvinden. Dat kan beter. Of door natuurlijke processen te benutten (inspelen op menselijke reflexen), door betere en kortere feedbackloops te gebruiken of door regel-arme installaties/gebouwen te maken. Het resultaat is dan: bouwen zonder gebruiksaanwijzing voor de gebruiker/bewoner.

IKS afgerond, maar niet afgelopen

Argumenten voor doorgaan met een nieuw Innovatieprogramma Klimaatneutrale Steden:

  • als je wilt dat ‘gedrag’ verandert bij gemeenten en anderen, dat is consistentie belangrijk, het signaal dat proces- en systeeminnovatie belangrijk is (I&M)
  • Instrument van bestuurlijke vernieuwing: je nodigt uit tot ‘hersengymnastiek’ om nieuwe oplossingen te creeren: het helpt; (I&M)

 

Opgesteld door

Douwe Jan Joustra

One Planet Architecture institute

Coach IKS projecten 2011 / 2012

 

gebaseerd op signalen en inzichten die tevoorschijn zijn gekomen in de coachingsgesprekken met de acht IKS gemeenten in 2011/2012



Klimaatbeleid 2.0

Afgelopen week had ik verschillende discussies over de aanpak van lokaal klimaatbeleid. De contouren van ‘Klimaatbeleid 2.0′ worden steeds duidelijker. Dat is waar we naar zoeken en over spreken.
Dat gaat zowel bestuurders als hun ondersteuners/uitvoerders aan. In de gesprekken kwamen ze ook allemaal tevoorschijn. Waar is de bestuurder zonder meedenkende ambtenaren en waar zijn de ambtenaren zonder meedenkende bestuurders?

Kern van klimaatbeleid 2.0 is de analyse die gemaakt is in de Duurzaamheidsagenda van het kabinet:
Duurzaamheid in samenleving
Inmiddels zien we dat het belang van duurzame ontwikkeling leeft in de samenleving. Acht op de tien Nederlanders vinden het (heel) belangrijk dat bedrijven zich richten op duurzaamheid.6 Consumenten kopen ook meer en meer duurzame producten. Burgers opereren in toenemende mate als duurzame producenten en richten bijvoorbeeld samen lokale energiebedrijven op. Bij veel maatschappelijke organisaties, op scholen en bij kennisinstellingen staat duurzaamheid hoog op de agenda. Een toenemend aantal grote en kleine Nederlandse bedrijven geeft duurzaamheid een centrale plaats in zijn bedrijfsvoering. Oplossingen van duurzaamheidvraagstukken vormen een sterk groeiende markt en zijn al lang niet meer alleen een zaak voor de koplopers. Een groot middenveld aan bedrijven ziet de kansen van duurzaam ondernemen, ziet dat het economisch rendabel kan zijn, dat duurzaam produceren niet duurder hoeft te zijn en concurrentievoordeel kan opleveren. Succesvolle voorbeelden zijn er in overvloed. Sectoren van het Nederlands bedrijfsleven profiteren volop van duurzame keuzes. Meer nuttig gebruik van afval leidt tot groei van de recyclingsector. Agrarische ondernemers bieden met succes biologische producten aan. Het marktaandeel van chemische producten op basis van biomassa neemt toe. Dit succes van duurzame diensten en producten leidt tot verdere verbreding van de basis voor duurzaam ondernemen en consumeren. Naast de rijksoverheid spelen decentrale overheden een steeds belangrijkere rol bij het stimuleren en ondersteunen van maatschappelijke initiatieven.

Koppelen groene groei en energieke samenleving
Het PBL adviseert in haar Signalenrapport “de energieke samenleving” om de hiervoor geschetste ontwikkelingen aan elkaar te koppelen. Groene groei kan worden gerealiseerd door gebruik te maken van de inventiviteit, betrokkenheid en het oplossend vermogen van de hele samenleving. Het PBL noemt dit de energieke samenleving€Ÿ.
Het kabinet erkent de waarde van een dergelijke koppeling. Het wil de basis voor duurzaamheid die in de maatschappij is gegroeid verstevigen en stimuleren zodat de dynamiek in de samenleving nog sterker wordt gericht op verduurzaming. Het kabinet onderkent daarbij het belang van kennis en competenties van consumenten, producenten, werknemers en onderwijsinstellingen op het gebied van groene groei. Het wil de mogelijkheden van dynamische, duurzame, groei bevorderen, de regelgeving benutten en met maatschappelijke partijen in overleg treden over richtinggevende lange termijndoelen.

In de toelichting op de begroting 2012 stelt minister Schulz:

Op het decentrale niveau hebben gemeenten, provincies en waterschappen klimaatprogrammas€™ opgesteld. Het kabinet ondersteunt deze initiatieven en stelt met de klimaatambassadeurs van de drie medeoverheden de Lokale Klimaatagenda 2011-2014 op. Deze gaat nog dit najaar naar de Tweede Kamer.

In de agenda richt het Rijk zich vooral op het wegnemen van belemmeringen bij gemeentelijke klimaatinitiatieven. Lokale ambassadeurs mobiliseren andere gemeenten, om zo met elkaar tot een regionale aanpak te komen.
De nationale routekaart voor het klimaat met richtjaar 2050 geeft aan hoe Nederland de komende decennia een klimaatneutrale samenleving kan realiseren. Het kabinet kiest naar eigen zeggen voor een pragmatische aanpak. Een die haalbaar en betaalbaar is en waarbij Europese en mondiale afspraken leidend zijn.

Daarmee wordt naar mijn idee, de toon gezet:
- De ‘energieke sameneving’ als uitgangspunt;
- lokaal klimaatbeleid is een belangrijke pijler onder klimaataanpak;
- decentrale energie is een essentieel thema;
- van een lifestyle-strategie naar een aanpak die te karakteriseren is als ‘businesswise’;
- overheid biedt de juiste condities (omstandigheden) voor succesvol ondernemen;
- klimaatprobleem is mondiaal complex, lokaal hanteerbaar en uitvoerbaar;
- lokale overheden zoeken meer en meer naar ‘onorthodoxe’ maatregelen;
- de competente burger realiseert meer dan de ‘instrumentloze’ overheid;
- proces- en systeeminnovaties geven kracht door onverwachte allianties, handelsmodellen, ondernemerskracht en
- focus verschuift van technologische innovatie naar innovatie in kennis, circulaire economie en verschuiven verantwoordelijkheden.

In zijn blog heeft Thijs de la Court (wethouder Lochem) al eens een mooie beschrijving gegeven van de kracht die in de lokale samenleving aanwezig is en actief wordt. Dat is niet voorbehouden aan de grote steden, maar ook aan andere gemeenschappen (dorpen, wijken, regio’s). Het is het ragfijne spel van geven en (niet-)nemen. De gemeente geeft ondersteuning waar nodig, trekt zich terug waar mogelijk en wenselijk, treedt naar buiten indien gewenst door lokale initiatiefnemers, legt contat en verbindt dus allererst mensen, dan initiatieven en pas daarna kunnen verbindingen worden gemaakt met andere spelers in het energiedomein (netbeheerder e.d.) en/of financiers (banken e.a.). De gemeente zorgt voor goede groei-omstandigheden, de juiste condities voor de energieke samenleving, die misschien alweer vervangen moet worden door de ‘ondernemende samenleving’.

We hebben dus een idee over de ontwikkeling van klimaat 2.0 maar de aanpak die er bij hoort, de rol van de overheid (nationaal en lokaal) is nog onduidelijk, de nieuwe ondernemerskansen zijn nog beperkt in beeld (vnl lokale energiebedrijven) en de combinatie van techniek, proces en nieuwe zienswijzen is ook nog ter discussie. Kortom reden genoeg om op het Klimaatcongres van 02 november 2011 tot een goede discussie te komen.

Ideeen genoeg overigens, al komt dat niet altijd direct tot uiting. In een gesprek dat ik vorige week voerde met een lokale Rabo-bank kwamen binnen een uur een drie-vier nieuwe businessmodellen voor hen tevoorschijn die niet alleen een nieuw verdienmodel betekenen maar ook nog een bijdrage leveren aan de lokale economie en last but not least aan de energie- en klimaatdoelstellingen die we hebben. Dat gesprek liet mij zien dat door een gezamenlijke analyse van deze vragen, nieuwe antwoorden gevonden kunnen en zullen worden.

Om een beeld te krijgen van wat ‘klimaatbeleid 2.0′ is, zullen we tijdens een workshop op het Klimaatcongres de vragen stellen, die nu aan de orde zijn (en wellicht ook alvast wat antwoorden programmeren):
- Wat nodig is om de klimaatambities op lange termijn waar te maken;
- Wat anders is dan het huidige klimaatbeleid;
- Wat eventuele randvoorwaarden zijn;
- Wat vraagt dit van lokale overheden, maar ook van andere spelers?

Uiteindelijk doel is een set van aanbevelingen te formuleren waar ook andere gemeenten met ambities mee aan de slag kunnen.